God in de kosmos (10)

3.3 De tijd in het denken: instrument

BASIS

Es ist unklug, wenn alles klug ist. Da stimmt sicher etwas nicht.
Und wenn alles stimmt, ist es sicher unklug.
Viele Menschen stehen im Gehen.1

Wassily Kandinsky

dubbele horizon

De tijd is cyclisch en de tijd is lineair. Cyclisch is de tijd van de seizoenen, de dagen en de nachten. Lineair de tijd zoals die in de bijbel wordt beschreven vanaf het begin op weg naar een toekomst, een gedachte die ook is overgenomen in onze Westerse wereld in het idee van de historische tijd. Alleen is het religieuze begrip schepping aan het begin ingelost voor het veronderstelde begin van de kosmos en is het religieuze begrip verlossing aan het einde der tijden en de weg er naar toe vervangen door het begrip vooruitgang. De religieuze en theologische categorieën zijn ingewisseld voor begrippen uit een geseculariseerde werkelijkheid. Als God heeft afgedaan doet zijn tijdsordening er ook niet meer toe. Dat heeft gevolgen voor de beleving van de tijd en het plaatsen van de beleving van de tijd in een groter zinsverband. Abraham Joshua Heschel zegt daarom naar aanleiding van onze moderne houding ten aanzien van de tijd: “wij weten wat we met de ruimte moeten doen, maar wij weten niet hoe ons te verhouden tot de tijd, behalve dan hem aan de ruimte ondergeschikt te maken. De meesten van ons lijken te werken voor de dingen van de ruimte. Daardoor lijden we aan een diepgewortelde angst voor de tijd en zijn we ontzet wanneer we ermee geconfronteerd worden. Voor ons is de tijd een bespotting, een glibberig, verraderlijk monster met een verzengende muil die elk moment van ons leven verbrandt tot as. Terugdeinzend voor het onder ogen zien van de tijd zoeken we dekking bij de dingen in de ruimte. Voornemens die wij niet kunnen uitvoeren, leggen wij in de ruimte neer. Bezittingen worden symbolen van onze verdrongen gevoelens, het vreugdebetoon van onze frustraties. Maar de dingen van de ruimte zijn niet vuurbestendig, zij voegen slechts brandstof toe aan de vlammen. Is de vreugde van het bezit een tegengif tegen de ontzetting die uitgroeit tot een angstbeeld van de onvermijdelijke dood? […] Het is voor de mens onmogelijk om zich aan het probleem van de tijd te onttrekken. Hoe meer wij nadenken, hoe meer wij beseffen dat wij de tijd niet kunnen overwinnen door de ruimte. Wij kunnen de tijd slechts overmeesteren in de tijd.”2

Een poging tot of een vorm van overmeestering van de tijd is de rite, de rituele tijd. In de rituele tijd wordt geprobeerd de krachten van de natuur, die overweldigend zijn, te bedwingen door de rite. De rituelen verbinden de momenten met elkaar in de tijd. André Neher zegt hierover: ”Ook al vinden ze ver van elkaar verwijderd plaats, een verbinding komt tot stand van het ene rituele moment met het andere. Eén doorlopende wijding doordringt alle tijden die aan dezelfde rite gewijd zijn. Deze continuïteit geeft een eerste gevoel van rust, de onrust van het gewone leven wijkt voor een zekerheid, eerst nog zuiver abstract, maar die de inhoud van de rite zelf concreet zal maken. Want de rituele tijden zijn niet leeg; zij schorten de profane tijd niet op zonder iets in die tussentijd in te voeren, namelijk de mythische, en vaak doorleefde, betekenis van de rite. De rite vormt eigenlijk een opening naar de mythische tijd; iedere rituele tijd herstelt de mythische tijd, die bij uitstek, de tijd van de herhaling maar ook die van de mogelijkheid is. ‘In illo tempore, in de mythische tijd, was alles mogelijk.’”3
De rite maakt de ritualisering van de tijd mogelijk en zo lijkt het alsof de mens meer grip krijgt op de tijd, maar ook op de natuur en de beheersing van de elementen die van belang zijn voor een agrarische samenleving.4 Vruchtbaarheid van het land bepaalt de levensomstandigheden. Neher verwijst ook naar de erotische componenten in deze rite omdat vruchtbaarheid van het land onlosmakelijk samenhangt met de mythische verwerking hiervan in de rite zelf. De aarde wordt geïdentificeerd met het vrouwelijke, iets dat wij in alle culturen terug zien komen, de ruimte ingedeeld in mannelijk en vrouwelijk, vormt zo een mythische manier van denken die niet alleen het dagelijks leven kleurt maar ook de beleving van de tijd.

In Sicherheit –
in Zweifelhaft

Legt man sich fest,
zwingt man sich auf

Unsere Vergangenheit
geht uns nach,
und kommt uns
an jeder Ecke entgegen

Utopien wirken höchstens für ihre Zeit,
das Paradies lebt aber in allen
Vorstellungen fort5

Elazar Benyoëts


Neher bespreekt ook die andere vorm van de tijd, de cyclische tijd en hij verwijst naar de Griekse filosofie: “Voor de Grieken is de wereld kosmos, een geordenden en onveranderlijke wereld, een ruimte. In deze kosmos heeft de tijd, in zijn eigenlijke en ware betekenis, geen werkelijkheid. Voor de leerlingen van Pythagoras is hij herhaling, gelijk aan zichzelf. Voor Plato ‘beeldt’ hij de eeuwigheid uit. Voor Aristoteles, een hoeveelheid van de sterrencyclus, als een cirkelvormige en eenvormige beweging. Daaruit volgt dat het leven en het menselijk bestaan, dat wil zeggen de tijd van de mens, zijn eenheid en geschiedenis, geen kennisbronnen vormen. De mens kan zich slechts ontdekken door middel van de wetenschap of de filosofie, die aanvankelijk beide ruimtelijk, geometrisch waren. Slechts als onderdeel van de ruimte wordt de mens zichzelf. Deze ruimte bestaat voor hem slechts ten dele van buitenaf, omdat de mens er door de – vermeende of werkelijke – cyclische beweging van de tijd aan deelneemt. Maar er zou voor de mens geen grotere illusie bestaan dan in de tijd een steunpunt te zoeken, waarbij hij op zichzelf beschouwd wordt, waarbij hij, zonder verbinding met de ruimte, in zijn menselijke eenzaamheid begrepen wordt. Dat zou de vernietiging betekenen, zijn ondergang op het spel zetten.
Alle denken dat berust op de notie van een cyclische tijd heeft één houding gemeen, namelijk dat het de geschiedenis ontkent, Deze kan niet in het onbeweeglijke ontstaan, in een systeem zonder begin en zonder einde, zonder wijziging in haar kringloop. De tijd van de mens, in de eigenlijke en ware betekenis van het woord, zijn eenheid en geschiedenis, betreft geen mensen wier leven onbeweeglijk is.”6
Ook Cornelis Verhoeven beschrijft (in ‘Omzien naar het heden. De mythe van de vooruitgang’) dit Griekse denken en hij verwijst naar het principe van identiteit dat de basis vormt voor het verlangen naar een herhaling gebaseerd op het verleden of, en dat is de andere kant, een verlangen dat over het heden heen-springt naar de toekomst, een eschaton, opdat zo het verlangen van het ideaal bevredigd kan worden – identiteit kan worden hersteld die verloren is gegaan of die een perfectionering vormt en het ervaren tekort opheft. Hij zegt: “Het herstel van een verloren identiteit is een precies even oneindige opgave als het bouwen van een nieuwe. Beide opgaven reiken over de geschiedenis heen en hebben een eschatologisch perspectief. Naargelang zij met groter wijsgerig inzicht geformuleerd zijn, is het dan ook moeilijker de beide ‘richtingen’ van elkaar te onderscheiden. Plato’s ideeënleer, zo is al gezegd, heeft even sterk een progressief als een regressief karakter: beide richtingen symboliseren alleen maar de discontinuïteit ten opzichte van bijvoorbeeld ontwerp of ideaal. De ‘tijd’ is de niet-identiteit zelf. het voorbeeld dat nagevolgd moet worden is de identiteit, een transcendent ideaal, niet een historisch en inhoudelijk na te bootsen gegeven of persoon.”7


Der freie Wille –
der unerwünschte

Dass wir aus dem Paradies
vertrieben wurden,
scheinen wir noch nicht
begriffen zu haben.
Oder glauben wir,
gleich nach dem Tod
an den uns verwehrten
Baum des Lebens zu gelangen

Jeder hat die Zukunft,
die er sich wünscht,
und die Hoffnung,
die sie im verstellt8

Elazar Benyoëts

Kortom als de tijd een herhaling is van hetzelfde, is er geen oog voor het verleden als bijzondere werkelijkheid want wat gisteren was kan morgen weer zo zijn. Het verleden is slechts deel in een proces van herhaling ondanks het feit dat men daarin het verleden kan idealiseren als een ideale tijd. Maar het nieuwe kan eigenlijk ook niet bestaan omdat het herhaling is, steeds weer hetzelfde in een andere jas.9 Deze houding is de dood in de pot voor alle inzet voor een betere wereld: het lot regeert, het noodlot hangt boven elk hoofd en de mens is niet in staat iets hieraan te veranderen. Het ontbreken van historisch besef leidt tot een dode toekomst. Vergeten is ballingschap, herinneren verlossing, luidt een Joods gezegde; “Hoop zonder herinnering is als herinnering zonder hoop.”10
In dit denken wordt het verleden niet serieus genomen, de toekomst krijgt geen kans, maar er is ook geen oog voor het heden. Verhoeven stelt dat het denken dat het heden veronachtzaamt, dat of het verleden of de toekomst viseert vanuit een ideaal een vorm van mythisch denken is. In het rituele handelen en in de cyclische opvatting van de tijd wordt niet alleen de geschiedenis ontkend maar is er ook geen ruimte voor nieuwe inzichten. De rite moet het bekende bedwingen, de cyclus staat geen interpretatie toe die leidt tot andere inzichten en ander gedrag en vooral tot een andere opvatting van de tijd. Door een kritische houding, een houding van vragen stellen, negatie van het bestaande, zoeken achter de dingen, niet voetstoots aannemen wat wordt beweerd alsof het vanzelfsprekend is, komt de tijd in beweging – dat wil zeggen – de tijd die vastgebonden werd aan een vaststaande identiteit. Verhoeven schrijft: “Iedere herhaling is niet alleen een imitatie van het voorbeeld, maar, juist omdat het voorbeeld mythisch is, ook een interpretatie daarvan. En de interpretatie is de eerste kracht die morrelt aan de geslotenheid van het identieke: als dialoog met het gegeven, als ‘gebruik’ daarvan bevat zij noodzakelijk een negatief element. De starre identiteit wordt betrokken in een beweging waarvoor alleen de mogelijkheid tot negatie de ruimte kan scheppen. Het andere openbaart zich in het eendere als voor het ogenblik dat het een concrete inhoud krijgt. Want juist door die inhoud ontstaat weer een nieuwe identiteit, die om een nieuwe negatie en interpretatie vraagt. Het interpreteren is niet een houding van het denken, maar eerder een voorwaarde voor elk leven en bewegen, dat zich moet afspelen in een structuur met een verleden en met voorbeelden. ‘De mens is het wezen dat het feitelijke nooit zonder meer aanvaardt.’ Hij is ‘een interpreterend wezen.’ De interpretatie verlost de herhaling en de imitatie van haar verpletterende identiteit: zij schept geschiedenis. Zij is de enige kracht in de cultuur die de tautologie in beweging kan brengen van binnen uit en daarmee vruchtbaar bemiddelt tussen de identieke herhaling die zinloos is en de pure negatie daarvan die willekeurig is.”11

wir glauben zeit zu erleben: doch ist dies falsch ・einjeder erlebt nur momente – momente der erfahrung ・schnipp mit den fingern: da ist ein bild – ein augenblick ・schnipp sie erneut – un da ist wieder nur ein moment ・du denkst zwar dass eines auf das andere folgt doch ist dies illusion: du erinnerst dich bloss im zweiten moment noch an den ersten ・diese erinnerung jedoch ist keine erfahrung vergehender zeit: die erinnerung an den ersten moment ist nur teil des erlebens des zweiten ・alles was wir erleben – alles was real ist – sind einzelne augenblicke XI.12

Raoul Schrott


Er is nog een werkelijkheid of tijdsvorm van de tijd, de mystieke tijd. De grens tussen God en mens wordt in de mystieke tijd opgeheven. De mystieke tijd, is volgens Neher, de meest volledige reductie van de tijd, omdat de tijd ontkend wordt. Extase en opgaan in het moment, tijdsvergetenheid, trance, de mystieke ervaring, het zijn beschrijvingen voor het ontbreken van het tijdsbesef en de volledige reductie van de tijdservaring. Een nulmoment in de tijd, een a-chronie. De mystieke tijd is eigenlijk geen omgaan met de tijd omdat het moment allesoverheersend wordt. Als de tijd heeft afgedaan is er ook geen relatie meer tot de tijd. De mystieke tijd is geen overmeestering van de tijd want de tijd bestaat op dat moment niet. Niet-omgaan met de tijd is dus geen optie om met de tijd om te gaan. De lineaire tijdsopvatting, met een begin en een einde, een voortgang in de tijd, moet en kan de instrumenten leveren om de tijd te plaatsen. Het scheppingsverhaal uit Genesis een, de verdeling van de week in zeven dagen, is in de lineaire tijdsopvatting maatgevend geworden voor onze indeling van de tijd en het gebruiken van de tijd als instrument om de werkelijkheid te ordenen. We tellen de jaren, maanden, dagen en uren. De zevende dag, de sabbat, kun je een bijbelse ‘uitvinding’ noemen die door het Christendom en de Islam in een andere vorm is overgenomen.13 De sabbat is een moment in de tijd waardoor de voortgang van hetzelfde (de dagen waarop gewerkt wordt en gezorgd voor het leven) voor even wordt onderbroken. Het is de creatie van een open ruimte in de tijd, een moment dat anders is als de dagen waarop gewerkt wordt voor het levensonderhoud en dat een pas op de plaats maakt. Even wordt de voortgang van de geschiedenis van zorgen en werken onderbroken.
Heschel stelt dat de bijbel meer belang stelt in de tijd dan in de ruimte. De bijbel ziet de wereld in de dimensie van de tijd en de generaties van geslachten krijgen meer aandacht dan de landen en de dingen. Geschiedenis is belangrijker dan aardrijkskunde. Heschel zegt: “Er is in het bijbelse Hebreeuws geen gelijkwaardig woord voor ‘ding’. Het woord davar dat in het latere Hebreeuws ding ging betekenen, betekent in heet bijbelse Hebreeuws: spraak, woord, boodschap, verslag, tijding, raad, verzoek, belofte, beslissing, vonnis, thema, verhaal, gezegde, uiting, nering, beroep, handelingen, goede daden, gebeurtenissen, wijze, manier, reden, oorzaak, maar nooit ‘ding’. Is dit een teken van taalkundige armoede, of eerder een aanwijzing voor een onbevooroordeelde kijk op de wereld, voor een niet op één lijn stellen van de realiteit (afgeleid van het Latijnse woord res, ding) met alles waar ‘ding’ voor staat?”14

Het Jodendom noemt Heschel daarom een godsdienst van de tijd die streeft naar heiliging van de tijd. Heiliging van de tijd is een bijzondere categorie om de tijd als tijd te overmeesteren. Het is niet alleen een kader waarin de tijd een bijzonder karakter krijgt, het is ook een kwalitatieve sprong die de tijd op een ander niveau brengt dan de afloop ervan in jaren, maanden en dagen en uren.15 Een van de meest bijzondere woorden van de bijbel is volgens Heschel dan ook qadosh, heilig. Het is een begrip dat naar het mysterie van het goddelijke en transcendente verwijst. Het wordt de eerste keer in de bijbel genoemd bij de voltooiing van de schepping als de zevende dag gezegend wordt door God. God noemt de zevende dag qadosh, heilig (Genesis 2,3). Heschel stelt dat geen enkel object in de ruimte heilig wordt genoemd in deze scheppingsgeschiedenis. Daarna wordt het volk heilig genoemd en pas als het debacle van het gouden kalf heeft plaatsgevonden is er sprake van een tabernakel, een vorm van heiligheid in de ruimte. Maar ook dit tabernakel is in eerste instantie niet aan een plaats gebonden en trekt met het volk mee.61 De tijd is geheiligd door God, het tabernakel door Mozes. Ook daarin bestaat een onderscheid.
Heschel stelt dat wij zes dagen leven onder de dwang van de dingen in de ruimte, maar de zevende dag proberen wij ons af te stemmen op heiligheid in de tijd. Hij spreekt over de sabbat als een paleis in de tijd en hij spreekt over de liefde voor de sabbat. Het is geheiligde tijd en geliefde tijd, maar geen goddelijke tijd: de sabbat is er voor de mens en niet omgekeerd.17
Heschel noemt de sabbat “geest in de vorm van tijd.”18 Maar die geest is in onze samenleving waar triomfen worden gevierd over de ruimte moeilijker in een kader onder te brengen dan het horloge en de chronologische registratie. Daarmee wordt de geest niet gevangen en ook niet aangeduid. Heschel zegt dat wij door de geest in de vorm van tijd deelnemen aan een optocht van de tijd in een gebied dat oneindig is, maar we voelen geen vaste grond onder de voeten. De ruimte is onderworpen aan onze wil maar de tijd onttrekt zich daaraan. Tijd is het domein dat toebehoort aan God. De mens die God in zijn leven niet erkent kan dus niks met deze geest in de vorm van tijd. De tijd overmeesteren in de tijd, blijft dus voor deze mens een onmogelijke opdracht.19

Je weiter zurück man blickt, desto mehr Zukunft entdeckt man

Was wäre es leichter auf Distanz zu betrachten
als das Jenseits,
und doch ist es mit brennenden Interessen verbunden

Schwer ist es, sich selbst zu Ende zu führen20

Elazar Benyoëts


Schepping is als moment in de tijd in dit denken geen absoluut begin dat voorgoed is afgesloten. Het scheppingsproces gaat door zolang de wereld bestaat; de wereld duurt en de schepping vindt elke dag plaats. De mens is in dit denken medeschepper. Elk ogenblik, zo Heschel, is een scheppingsdaad. “Een ogenblik is niet een eindpunt maar een lichtflits, een teken van begin. Tijd is een eeuwigdurende vernieuwing, een synoniem voor onafgebroken schepping. Tijd is Gods geschenk aan de wereld van de ruimte.”21 Virtuele tijd, quantumtijd hoeft hiervan niet af te wijken. Ook hier zijn de mogelijkheden onbeperkt en is vernieuwing het kenmerk van een voortdurend proces.
Kijken we naar de andere kant van de schepping, het begin, naar het eindpunt, de verlossing, dan kun je theologisch spreken van een proces van schepping naar verlossing. Beiden worden echter pas kenbaar vanuit het feit en de ervaring van de openbaring. Franz Rosenzweig heeft dit uitgebreid beschreven in zijn ”Stern der Erlösung”. Hij merkt echter ook op dat wij in de wereld vaak smachten naar die verlossing en dat er mensen zijn in de loop van de geschiedenis die deze verlossing met alle middelen, ongeacht de kosten, dichterbij willen halen. Hen noemt hij hemeltirannen. Zij willen de tijd van de verlossing forceren en de hemel op aarde vestigen, maar vergeten dat dit nieuwe paradijs gebouwd is op zeeën van bloed. Dat heeft dus geen bestand.22 De wereldgeschiedenis is vol met dergelijke pogingen en de Islamitische ‘revolutie’ die op dit moment gaande is, ingezet door radicale islamitische groeperingen is er het jongste voorbeeld van.
Hier wordt de tijd niet in en op de tijd overmeesterd, maar de ruimte ingevuld met wapengeweld en de tijd van de geest ontkracht en vernietigd. Een dystopie is het gevolg en oorlog wordt dagelijkse werkelijkheid. Heiliging van de tijd is nog nooit zover weg geweest in dit handelen en dit denken.

Das Schweigen öffnet uns die Ohren
für alles in die Leere gesprochene

Ich spreche von Gott, weil ich glaube, es tun zu können,
aber warum glaube ich das, und was hat dies
mit dem Glauben zu tun.
Mein Glaube hat mit mir zu tun und nicht mit Gott.
Warum spreche ich dann von Gott und nicht von mir.
Was sagte ich aber, spräche ich von meinem Glauben oder von mir.23

Elazar Benyoëts


Dit is een deel uit mijn essay: God in de kosmos. Het hele essay is te lezen (eventueel te koop) (en te downloaden) op:

Noten:

1 Kandinsky, Wassily, Vergessenes Oval. Gedichte aus dem Nachlass, Berlin 2016 (Edition revers #05), p. 27

2 Ibid., p. 29-30

3 Neher, A., Het wezen van de profetie, Baarn 1993 (Uitg. Gooi en Sticht), p. 56

4 Cornelis Verhoeven schrijft over de rituele herhaling: “In de normativiteit van het verleden is een element van bijzondere betekenis naar voren te halen. Dat is de herhaling. Normgevend schijnt alleen dat te kunnen zijn wat herhaalbaar is. Het eenmalige valt niet onder een wet.” Verhoeven, Cornelis, Omzien naar het heden. De mythe van de vooruitgang, Utrecht 1968, p. 32

5 Benyoëts, Sandkronen, o.c. p. 168

6 Ibid., p. 67

7 Ibid., p. 32

8 Benyoëts, Sandkronen, o.c. p. 217

9 “Door de herhaling reikt de mens over de tijd heen naar de oertijd, zodat de herhaling als het ware een deelneming wordt aan de schepping van de wereld. Over het verleden heen is de oertijd de norm voor het menselijk handelen en waarderen. ‘De mythe’, zegt Gusdorf, ‘antwoordt op iedere vraag, zelfs vóórdat zij gesteld is.’ Zij verhindert dat de vraag gesteld wordt. Het mythisch exemplarisme geeft in feite de garantie van het recht. De gewoonte die aldus deelt in de waardeverzekering door de mythe verschaft, is voor altijd onbeweeglijk gemaakt.[…] Deze metafysische starheid verklaart ongetwijfeld de stilstand van de primitieve beschaving die aan zichzelf is overgeleverd. Het mythische tijdperk is het tijdperk van de herhaling, de eeuwige terugkeer van hetzelfde. ‘De herhaling betekent de hernieuwde bevestiging van Hetzelfde. De eeuwige wederkeer kan slechts doelen op de identiteit van Hetzelfde, temidden van de beginnende verspreiding van het Andere.’ Waar het verleden een norm is, zo lijkt het dus, wordt het andere, nieuwe geweerd. Maar in de mythische nadruk die het eendere krijgt, dient het andere zich al aan als partner in een dialectisch proces. De cirkel is op rituele wijze niet te sluiten; de oneindigheid laat zich niet verstoppen in een totaliteit, hoe perfect die ook georganiseerd is.” Ibid., p. 33

10 Wiesel, E., Hoop, wanhoop en herinnering, Hilversum 1987 (Gooi en Sticht), p. 22

11 Ibid., p. 33-34

12 Schrott, o.c. p. 20

13 “Het belang van de sabbat (Genesis 2:1-3) is kenmerkend voor het scheppingsverhaal vin Genesis 1-2:3. Hoewel ook n de Ugaritische literatuur opvallend vaak reeksen van zeven dagen voorkomen is er geen vergelijkbare tekst die zo duidelijk op de sabbat uitloopt en bovendien zeer verbonden is met Gods scheppingswerk. Wanneer in Ugarit een zeven-dagen-schema voorkomt, gaat het toch om heel wat gewonere zaken dan de schepping.” Korpel, Marjo, de Moor, Johannes, De zwijgende God, Vught 2012 (Skandalon), p. 122

“Toen de Romeinen de Joden leerden kennen en hun strikte naleving opmerkten van de wet om op de sabbat geen werk te doen, was hun enige reactie die van minachting. De sabbat is een teken van joodse luiheid, was de mening van Juvenalis, Seneca en anderen.” Heschel, Abraham Joshua, De sabbat. zijn betekenis voor de moderne mens & Vernieuwing vanuit de traditie. een Joodse visie op verbondenheid, Amsterdam 2006 (Abraxas), p. 37

14 Ibid., p. 31

15 “Anders dan de ruimtelijk denkende mens, voor wie de tijd eentonig, zich herhalend, gelijkblijvend is, voor wie alle uren gelijk zijn, karakterloze, lege hulzen zijn, voelt de Bijbel de afwisselende aarde van de tijd aan. Er zijn niet twee uren hetzelfde. Elk uur is uniek en het enige op het ogenblik, ongeëvenaard en eindeloos kostbaar.

Het Jodendom leert ons om gehecht te zijn aan de heiligheid in de tijd, om gehechte te zijn aan geheiligde gebeurtenissen, hoe heiligdommen te wijden die opkomen uit de luisterrijke stroom van een jaar. De sabbatsdagen zijn onze grote kathedralen en ons heilige der heiligen is een schrijn die Romeinen, noch Duitsers hebben kunnen verbranden; een schrijn die zelfs geloofsafval niet makkelijk kan uitwissen: de Grote Verzoendag. Volgens de oude rabbijnen is het niet de naleving van de Grote Verzoendag, maar de Dag zelf, het ‘wezen van de Dag’, die samen met het berouw van de mens, de zonden van de mens verzoent. 

Het joodse ritueel kan worden omschreven als de kunst van symbolische vormen in de tijd, als de architectuur van de tijd. De meeste plechtigheden – de sabbat de nieuwe maan, de feesten, het sabbatsverlof en het jubeljaar – zijn afhankelijk van een bepaald uur van de dag of van een seizoen van het jaar. Het is bijvoorbeeld de avond, de morgen of de namiddag die de oproep tot gebed met zich meebrengt. De hoofdthema’s van het geloof spelen zich af in het gebied van de tijd.” Ibid. p. 32

16 Vgl. Ibid., p. 33

17 “Het verschil tussen de sabbat en alle andere dagen is niet te bespeuren in de materiële structuur van de dingen, in hun ruimtelijke dimensie. Dingen veranderen op die dag niet. Er is alleen een verschil in de dimensie van de tijd, in de relatie van het heelal tot God. De sabbat ging aan de schepping vooraf en de sabbat voltooide de schepping. Meer van de geest kan de wereld niet verdragen.”Ibid., p. 45

18 “Met onze lichamen behoren wij tot de ruimte; onze geest, onze zielen verheffen zich naar de eeuwigheid. streven naar het heilige. De sabbat is een opgaan naar de top. Hij geeft ons gelegenheid om de tijd te heiligen, om het goede te verheffen tot het niveau van het heilige, om het heilige te aanschouwen door afstand te doen van het alledaagse. Geest in de vorm van tijd, eeuwigheid, is inderdaad een absurditeit als je meent dat de geest maar een idee is in het menselijke gemoed of dat God iets gewoons is. Als je beseft dat God tenminste zo groot is als het bekende heelal en dat de geest een proces zonder einde is waaraan wij bescheiden deelnemen, dan zul je begrijpen en ondervinden wat het betekent dat de geest op bepaalde ogenblikken wordt onthuld. Je moet van het wonder van de tijd diep onder de indruk zijn om in staat te zijn de aanwezigheid van de eeuwigheid in een enkel ogenblik te bespeuren. Je moet leven en handelen alsof het lot van alle tijden van een enkel ogenblik zou afhangen.” Ibid., p. 84

19 Vergelijk Ibid., p. 98

20 Benyoëts, Die Eselin, o.c. p. 45

21 Ibid., p. 100

22 “Der Schwärmer, der Sektierer, kurz alle Tyrannen des Himmelreichs, statt das Kommen des Reichs zu beschleunigen, verzögern es eher; indem sie ihr Nächstes ungeliebt lassen und nach dem Übernächsten langen, schließen sie sich aus von der Schar derer, die in breiter Front vorrückend Stück für Stück des Erdbodens, ein jeder das ihm nächste, erobern, besetzen, – beseelen; und ihr Vorgreifen, ihr persönliches Bevorzugen des Übernächsten leistet den Nachfolgenden keinen Pionierdienst; denn es bleibt ohne Auswirkung; das vom Schwärmer vorzeitig bestellte Ackerland trägt keine Frucht; erst wenn seine Zeit gekommen ist – und sie kommt auch für es –, erst dann trägt es; da aber muß die ganze Arbeit des Bestellens wieder von frischem getan werden; die erste Aussaat ist verfault, und es gehört schon die eigensinnige Torheit der Gelehrten dazu, um angesichts der verfaulten Reste zu behaupten, dies wäre „eigentlich“ „schon“ das gleiche, was später zur Frucht gereift sei. Zeit und Stunde sind um so mächtiger, je weniger der Mensch sie weiß.” Ibid., p. 302

23 Benyoëts, Die Eselin, o.c. p. 37


Dank je wel voor je reactie - Thanks a lot for reacting