…men denkt veel te hard en dat maakt een vreselijk lawaai.
Jules Supervielle
In de politieke debatten lijkt het soms alsof de sprekers elkaar naar het leven staan. De felheid waarmee gereageerd wordt, de toon waarop geantwoord wordt, de aanvallen heen en weer, alsof de andere persoon de persoonlijke vijand is. Mateloosheid is hier troef. Vergeten dat deze wijze van spreken en reageren op elkaar geen zoden aan de dijk zet. Een land bestuur je niet met een gedrevenheid die overloopt van emoties, waarbij elke vorm van beheersing ontbreekt en waar de ratio uit het oog wordt verloren en gevoelens de overhand lijken te hebben.
Simone Weil die veel over macht heeft nagedacht schrijft in haar Cahiers:
“Niemals auf ein Übel mit Reaktionen antworten, die es verstärken könnten.” En dat zien we nu vaak in het politieke debat. Maar ook in de realiteit zelf. Er wordt bv. een aanslag gepleegd en het antwoord is buitensporig geweld om de daders op te sporen en te straffen met als gevolg vaak talloze burgerdoden. De aanslagen op 9/11laten dit zien. De reacties hierop, hebben de wereld in een afgrond van geweld gestort. Geweld dat tot op heden in volle hevigheid voortduurt. Niet alleen in Afghanistan, maar ook in andere landen in het Midden-Oosten. De aanslag op 7 oktober op de bevolking van Israel is door de overheid beantwoord met mateloos geweld en bijna de totale verwoesting van de Gazastrook. Ook het buurland Libanon wordt er door getroffen en deze oorlog lijkt zich alleen maar uit te breiden nu de hele regio in vuur en vlam staat en de gevolgen voor iedereen (ook financieel) merkbaar zijn.
Het ingrijpen van de VS onder een roekeloze president die alleen maar kan brallen, en zijn eigen zakken vullen, heeft grote gevolgen voor de wereldeconomie. Wij betalen mee aan deze mateloze zelfzucht en overmoed. Door het terugdraaien van alle inspanningen op het terrein van klimaatbeheersing wordt deze president de moordenaar van de toekomst van velen. Door het niet willen inperken van AI en het stellen van duidelijke grenzen gaan we allemaal de gevolgen ondervinden van de mateloze drang naar overheersing door AI. Want in een wereld waarin iedereen met iedereen digitaal verbonden is, is er geen veiligheid meer en is de waarheid een achterhaald concept, zo lijkt het. Het enige dat ons in de politieke arena dan nog bindt en verbindt is de gezamenlijke ondergang die wij tegemoet gaan.
Simone Weil stelt: “Helaas is het buitengewoon moeilijk om een gematigd leven te leiden in een mentale omgeving waar excessen (en mateloosheid) de boventoon voeren.”
Hoe kun je deze mateloze reacties voorkomen, hoe kun je je eigen woede, hoe terecht soms ook, inperken, zodat ze niet de overhand heeft? Hoe kun je kiezen voor een sobere aanpak, waarin mateloosheid geen plaats heeft? Hoe kun je je eigen (mateloze) denken dat veel te hard is en dat teveel lawaai maakt beheersen? De aarde is onherkenbaar geworden voor de hemel. De band lijkt verbroken. Alle wegen leiden nergens meer naar toe. Jules Supervielle heeft dat mooi geformuleerd in een gedicht:
Le ciel se penche sur la Terre et ne la reconnaît plus
Comme une mère dont on aurait changé l’enfant durant
la nuit.
La route vous dit: «Non», en pleine figure comme elle
vous cracherait dessus
Et s’en va rejoindre sous terre les autres routes qui n’en
sont plus.
Je suis si seul que je ne reconnais plus la forme exacte de
mes mains
Et je sens mon cœur en moi comme une douleur étrangère.
Silence ! On ne peut pas offrir l’oreille à ces voix-là.
On ne peut même pas y penser tout bas
Car l’on pense beaucoup trop haut et cela fait un vacarme
terrible.
Jules Supervieille pag. 278
De hemel buigt zich over de aarde en herkent haar niet meer.
Als een moeder wiens kind ’s nachts is verwisseld.
De weg zegt je: “Nee,” recht in je gezicht, alsof hij je bespuugt.
En verdwijnt ondergronds bij de andere wegen die geen wegen meer zijn.
Ik ben zo alleen dat ik de precieze vorm van mijn handen niet meer herken.
En ik voel mijn hart in me als een vreemde pijn.
Stilte! Men kan niet luisteren naar die stemmen.
Men kan er zelfs niet in stilte aan denken.
Want men denkt veel te hard en dat maakt een vreselijk lawaai.
Jules Supervielle – Google translate
Omdat we zo mateloos hard denken, d.w.z. vooral met ons zelf bezig zijn, onze eigen voordelen, onze eigen veiligheid, belangen, macht, aanspraken, inkomsten, verlangens, etc dreigen we over het hoofd te zien dat het in de wereld NIET om ons draait, niet om je eigen kleine miniEGO, maar om het geheel waar we samen deel van uit maken: een gemeenschap in vele vormen en in vele gestaltes. Een gezin, een vriendenkring, een familie, een werkgemeenschap, een sportgemeenschap, een dorpsgemeenschap en groter, zijn voorbeelden van de verbanden die er toe doen en die ons dragen. Zonder die relaties met anderen zouden we nauwelijks kunnen functioneren, zouden we waarschijnlijk niet erg oud worden. Als kind leren we al hoe afhankelijk we zijn en wat anderen bijdragen aan ons bestaan. En dat geven we weer door aan de volgende generatie. Doen alsof dat allemaal van geen belang is omdat je opgesloten zit in je eigen EGO-bubbel, is een bijzondere vorm van blindheid en mateloze kortzichtigheid. Egotripperij op mega-schaal. Met nefaste en onomkeerbare gevolgen voor alle medemensen. Dan heb ik het nog niet over het milieu en de natuur.
Maar goed en kwaad zijn niet zo eenvoudig uit elkaar te houden en ambivalentie en veelduidigheid zijn deel van ons zelfverstaan en van de relaties die we wel en niet onderhouden. Simone Weil stelt:
“Het is simpelweg niet waar dat het goede vrij is van tegenstrijdigheden en dat alleen het kwade tegenstrijdigheden kent. Misschien is deugd zelfs minder logisch dan zonde.”
En over Goed en kwaad schrijft ze: “Goed is wat mensen en dingen meer aan werkelijkheid geeft; kwaad is wat die werkelijkheid wegneemt.”
Het goede is net als het kwade in een mens geworteld – het kan alle kanten opgaan. Uit ieder nieuw mens kan een heilige groeien of een moordenaar, zoals Georg Steiner terecht stelt. We bezitten oneindig veel potenties. En niet alleen de omstandigheden maken een mens tot wie hij is en hoe hij reageert.
Maar wat betekent dat dan: meer werkelijkheid ontvangen of minder werkelijkheid krijgen? Is het kwade de kracht die mensen in een bepaalde richting duwt, hun blik vernauwt, hun haat doet groeien waardoor ze enkel en alleen nog maar geobsedeerd zijn door gevoelens van wraak? Oorlog als ultieme vorm van kwaad die de andere mens in de mal van de vijand duwt en al het menselijke van de ander ontkent? Zoals sommige Israelische ministers beweren over de Palestijnen? Zoals de nazi’s in de vorige eeuw hebben laten zien en hebben waargemaakt door het uitmoorden van miljoenen?
Het goede dat werkelijkheid toevoegt omdat je meer dimensies ontdekt in een mens, in een relatie, altijd weer gedifferentieerder dan je gedacht had, dan je je had kunnen voorstellen. Nieuwe mogelijkheden, nieuwe vormen van verbinding, van relatie, liefde die ook de begrenzingen overstijgt, als er meer mogelijk blijkt dan je gedacht had, zelfs in moeilijke situaties…

Simone Weil vraagt zich af hoe het komt dat mensen meedoen in een wereld waarin het kwade overheerst, waarin haat belangrijker is dan liefde. Ze tast af, ze zoekt, ze weegt haar woorden en stelt vragen. Ze schrijft al filosoferend in korte statements die nog niet hun definitieve vorm hebben gevonden, maar die voor ons toch de moeite waard zijn om te volgen en te overdenken:
“Op een niet-bovennatuurlijk niveau is de maatschappij datgene wat iemand van het kwaad (van bepaalde vormen van kwaad) scheidt, als door een barrière; een maatschappij van criminelen of verdorven mensen heft deze barrière op, zelfs als die slechts uit een paar bestaat.
Maar wat drijft iemand ertoe om zich bij zo’n maatschappij aan te sluiten? Noodzaak of roekeloosheid, of vaker een combinatie van beide; men gelooft dat men zich niet vastlegt, want men weet niet dat, met uitzondering van het bovennatuurlijke, alleen de maatschappij voorkomt dat men als vanzelfsprekend afglijdt naar de meest weerzinwekkende vormen van ondeugd en misdaad. Men weet niet dat men een ander mens zal worden, want men weet niet hoe ver in zichzelf het domein van datgene wat van buitenaf veranderd kan worden zich uitstrekt. Men legt zich altijd vast zonder het te weten.
Zelfs als men zijn verbeelding slechts laat dwalen over bepaalde dingen die mogelijk lijken (wat heel anders is dan zich de mogelijkheid ervan helder voor te stellen, en dat is fundamenteel voor de deugd), betekent dit al dat men zich verbindt. Nieuwsgierigheid is hiervoor de reden. Zichzelf bepaalde gedachten verbieden [niet om ze te verbeelden, maar om erover na te denken]; er niet over nadenken. Men gelooft dat denken je niet bindt, maar het is juist denken dat je bindt, en vrijheid van denken omvat alle vrijheid van denken. Er niet over nadenken, het hoogste vermogen. Zuiverheid, negatieve deugd. Als het hoogste alleen in onze taal kan worden uitgedrukt door middel van negatie, dan kunnen we het alleen op een negatieve manier nabootsen. Als men, nadat men eenmaal zijn verbeelding heeft laten dwalen over iets slechts, andere mensen ontmoet die het objectief maken door hun woorden en daden (als men al een gemeenschap met hen heeft gevormd) en zo de sociale barrière wegnemen, dan is men bijna verloren. En wat is er makkelijker? Geen breuk; als men de afgrond ziet, is men er al overheen. Het tegenovergestelde geldt voor het goede; De kloof wordt pas zichtbaar wanneer die overbrugd moet worden, op het moment van een gewelddadige en pijnlijke bevrijding. Men vervalt niet in goedheid. Het woord ‘laagheid’ drukt dit kenmerk van het kwaad uit.”
“Nieuwsgierigheid en machtswellust, Rajas; de drang tot expansie. Lijkt onschuldig. Het kwaad verschijnt niet in de gedachte die aan de oorsprong van het kwaad ligt. De verbeelding laten dwalen over wat kwaad is, getuigt van een soort lafheid; men hoopt te genieten van, te begrijpen en te groeien door het onwerkelijke. (En toch is er ook een kunst, een zeer weinig bekende, om er niet over na te denken.)
Zelfs wanneer het kwaad is volbracht, behoudt het dit onwerkelijke karakter; vandaar misschien de eenvoud van misdadigers; alles is eenvoudig in dromen. (Eenvoud, die de tegenhanger is van de hoogste deugd.)
(…) Het concept en de mogelijkheid van het kwaad begrijpen zonder het zich voor te stellen; dit is de betekenis van Odysseus die gebonden is en zijn zeelieden die hun oren met was dichtstoppen.
Dit geldt niet voor het Goede. Als men het helder begrijpt en de mogelijkheden ervan helder doorziet, dan bereikt men het. Dit is de genade die de mensheid ten deel valt.
Dit onderscheid is een kenmerk van het Goede, een kenmerk dat alleen van toepassing is wanneer men begrijpt wat het betekent om te begrijpen zonder te fantaseren.” Bd. 1, Heft 4, pag. 308-309
Het goede overdenken, de kansen zien en op een realistische wijze beschouwen, niet vanuit emoties, niet vanuit populisme (want dat is haat als angst verpakt), dan is het bereikbaar, kan het worden gerealiseerd. Werken aan een samenleving waarin iedereen kan meedoen, waarin iedereen telt, waarin elk talent gebruikt kan worden om het goede te realiseren: welzijn voor allen, een zinvol bestaan voor allen, een relationeel waardevol bestaan voor allen etc. maakt veel mogelijk. Het goede komt zo aan het licht in kleine stapjes. Niet het eigen EGO centraal, maar de gemeenschap die werkt aan het goede, die het goede voor ogen heeft en die de mogelijkheden op een realistische wijze inschat. Dat is de weg die Simone Weil voorstelt. En dat kun je op je eigen wijze doen.
AI kent geen goed en kwaad. AI heeft geen emoties en is ook niet rationeel. AI plukt uit de onmetelijke verzameling van teksten (en heeft toegang tot bijna alles wat gedigitaliseerd is als tekst) en spiegelt je een keuze voor die moet beantwoorden aan je zoekvraag. Zoek je mogelijkheden om macht te vergroten, kwaad te doen, haat te verspreiden, de kansen liggen er. Er zijn tal van teksten waaruit kan worden geput. Ook het omgekeerde is mogelijk: teksten die aanzetten tot het goede, tot liefde tot je naaste, tot begrip en tolerantie. AI zelf zal het niks uitmaken. De gebruikers geven de richting aan, maar er komt een moment en dat is er waarschijnlijk al, dat de gebruiker alle macht verloren heeft om AI te beheersen als een kracht die nu al te groot is geworden. Moeten we de techbazen afremmen door hen het werken onmogelijk te maken? Door de datacentra te saboteren, de stroom en het water voor de koelsystemen af te sluiten? Hoe krijgen we greep op deze ontwikkeling?
De weg van geweld, de weg van de haat lijkt me de verkeerde weg want elke haat-actie roept nieuwe haat en nieuwe wraakgevoelens op. Een weg die direct leidt naar de afgrond. Hoe mooi de praatjes van de haatzaaimessiassen ook klinken – hun handelen is getekend door magere hein, de uitkomst is een knekelveld, een massagraf. Zelf denken ze eraan te verdienen, er beter van te worden (met corruptie als talent) maar de uitkomst is de dood. Het kwaad kent geen andere uitkomst, de mateloosheid van het kwaad kan uit zichzelf niet worden afgeremd. Dat kan alleen van buitenaf. Door een kracht die al het kwade overstijgt en die er niet meer verbonden is.
De werkelijkheid van het kwaad kan alleen bestreden worden door de werkelijkheid van het goede. De goede daden, gericht op het goede. De hemel kijkt mee…“Herinneringen zijn als de wind; ze verzinnen wolken.” schreef Jules Supervielle. Het is de kunst om het niet bij herinneringen te laten blijven…

LE DÉSIR
Quand les yeux du désir,
plus sévères qu’un juge, vous
disent d’approcher,
Que l’âme? demeure effrayée
Par le corps aveugle
qui la repousse et s’en va tout seul
Hors de ses draps’ comme un frère somnambule,
Quand le sang coule plus sombre
de ses secrètes montagnes,
Que le corps jusqu’aux cheveux
n’est qu’une grande mai
inhumaine
Tâtonnante, même en plein jour…
Mais il est un autre corps,
Voici l’autre somnambule,
Ce sont deux têtes qui bourdonnent maintenant et se
rapprochent,
Des torses nus sans mémoire
cherchent à se comprendre
dans l’ombre,
Et la muette de soie s’exprime
par la plus grande douceur
Jusqu’au moment où les êtres
Sont déposés interdits sur des rivages différents.
Alors l’âme se retrouve dans le corps sans savoir
comment
Et ils s’éloignent réconciliés,
en se demandant des nouvelles.
Jules Supervielle – pag. 315
VERLANGEN
Wanneer de ogen van verlangen,
strenger dan een rechter,
je gebieden dichterbij te komen,
wat doet de ziel dan? Bang
voor het blinde lichaam
dat haar afstoot en helemaal alleen weggaat
vanuit haar lakens als een slaapwandelende broer,
wanneer het bloed donkerder stroomt
uit haar geheime bergen,
wanneer het lichaam, tot aan het haar toe,
slechts een grote, onmenselijke hand is
die wreed te werk gaat, zelfs bij klaarlichte dag…
Maar er is nog een lichaam,
hier is de andere slaapwandelaar,
dit zijn twee hoofden die nu zoemen en
dichterbij komen,
naakte torso’s zonder geheugen
zoeken elkaar te begrijpen
in de schaduwen,
en de stomme zijde drukt zich uit
met de grootste zachtheid
tot het moment dat de wezens
verboden op verschillende oevers worden neergelegd.
Dan vindt de ziel zichzelf in het lichaam zonder te weten hoe.
En ze lopen verzoend weg,
elkaar naar nieuws vragend.
Jules Supervieille – Google translate
John Hacking 17 september 2026
Bronnen:
Supervielle, J., Œuvres poétiques complètes, Paris 1996 (Gallimard)
Weil, Simone, Cahiers. Aufzeichnungen. Herausgegeben und übersetzt von Elisabeth Edl und Wolfgang Matz, München Wien (Carl Hanser verlag) (4 Bd.)

De oorspronkelijke tekst van Simone Weil:
LESART. Das Böse, andere Lesart. Übergang vom Bösen zum Guten, so als ob man ein Buch umdreht.
Auf einer nicht übernatürlichen Ebene ist die Gesellschaft das, was einen wie durch eine Schranke vom Bösen trennt (von gewissen Formen des Bösen); eine Gesellschaft von Verbrechern oder von lasterhaften Menschen hebt diese Schranke auf, auch wenn sie nur aus wenigen Menschen besteht.
Aber was treibt einen dazu, in eine solche Gesellschaft einzutreten? Entweder die Notwendigkeit oder die Leichtfertigkeit oder öfter noch eine Mischung aus beiden; man glaubt, sich nicht festzulegen, denn man weiß nicht, daß mit Ausnahme des Übernatürlichen nur die Gesellschaft einen daran hindert, wie selbstverständlich in die abscheulichsten Formen des Lasters und des Verbrechens abzugleiten. Man weiß nicht, daß man ein anderer werden wird, denn man weiß nicht, wie weit in einem selbst der Bereich dessen geht, das von außen verändert werden kann. Man legt sich immer fest, ohne es zu wissen.
Selbst wenn man seine Einbildungskraft bei gewissen, als möglich erscheinenden Dingen nur verweilen läßt (was etwas ganz anderes ist, als sich ihre Möglichkeit klar vorzustellen, und das ist grundlegend für die Tugend), so bedeutet dies bereits, sich festzulegen. Die Neugier ist der Grund dafür. Sich bestimmte Gedanken verbieten [nicht, sie sich vorzustellen, sondern bei ihnen zu verweilen]; nicht denken an. Man glaubt, daß das Denken einen nicht festlegt, doch es allein legt einen fest, und die Freizügigkeit im Denken schließt jegliche Freizügigkeit ein. Nicht denken an, höchste Fähigkeit. Reinheit, negative Tugend. Wenn das Höchste in unserer Sprache nur durch Negation ausgedrückt werden kann, dann können wir es auch nur auf negative Weise nachahmen. Wenn man, nachdem man seine Einbildungskraft einmal auf etwas Schlechtem verweilen ließ, andere Menschen trifft, die es durch ihre Worte und Taten objektiv machen (wenn man mit ihnen schon eine Gesellschaft gebildet hat) und so die soziale Schranke aufheben, dann ist man schon fast verloren. Und was wäre leichter? Kein Bruch; wenn man den Graben sieht, hat man ihn bereits überschritten. Für das Gute ist das Gegenteil der Fall; der Graben wird dann gesehen, wenn er überschritten werden muß, im Augenblick des heftigen und schmerzhaften Sich-Losreißens. Man fällt nicht ins Gute. Das Wort »Niedrigkeit« drückt diese Eigenschaft des Bösen aus.
Neugier und Verlangen nach Macht, Rajas; Bestreben, sich auszubreiten. Scheint unschuldig zu sein. Das Böse erscheint nicht in dem Gedanken, der am Ursprung des Bösen steht. Die Einbildungskraft auf dem verweilen lassen, was böse ist, schließt eine Art Feigheit mit ein; man hofft, durch das Unwirkliche zu genießen, zu erkennen und größer zu werden. (Und immerhin ist das Nicht-Denken-an auch eine Kunst, eine sehr wenig bekannte.)
Selbst wenn es vollbracht ist, behält das Böse diesen Charakter des Unwirklichen; daher kommt vielleicht die Einfachheit der Verbrecher; alles ist einfach im Traum. (Einfachheit, die ein Gegenstück jener der höchsten Tugend ist.)
[Wesen des Verfließens der Zeit im Bösen, zu untersuchen. Unbeständigkeit der Verbrecher, der Prostituierten, kommt zu den Obsessionen dazu.]
Den Begriff und die Möglichkeit des Bösen erfassen, ohne es sich vorzustellen; das ist die Bedeutung des gefesselten Odysseus und seiner Matrosen, die sich die Ohren mit Wachs verstopfen.
Das gilt nicht (?) für das Gute. Wenn man es klar erfaßt und wenn man seine Möglichkeit klar erfaßt, dann vollbringt man es. So ist die dem Menschen gewährte Gnade.
Dieser Unterschied ist ein Merkmal des Guten (?), ein Merkmal, das nur anwendbar ist, wenn man weiß, was Erfassen ohne Vorstellen bedeutet.
Weil, Simone, Cahiers. Aufzeichnungen. Herausgegeben und übersetzt von Elisabeth Edl und Wolfgang Matz, München Wien (Carl Hanser verlag) (4 Bd.)
Bd. 1, Heft 4, pag. 308-309
