2. De leegte in en van het zelf

uit: https://levenshorizonten.com/4-essays-over-god/ God in de leegte (4e essay)

De schrijver Cioran getuigt van de leegte, van het niets, net zoals de soldaat die een verschrikkelijke oorlog overleeft en daarna eigenlijk niets meer over heeft om voor te leven.[1] Cioran aan het woord:

Nicht mehr leben können

Es gibt Erfahrungen, die man nicht überleben kann. Darnach fühlt man, dass alles, was man auch täte, keine Bedeutung mehr haben kann. Denn nachdem man die Grenzen des Lebens erreicht, nachdem man alles, was jene gefahrenreichen Gestade bieten, in Verzweiflung durchlebt hat, büßen die alltäglichen Gebärden und das gewöhnliche Streben jeglichen Reiz und jede Verlockung ein. Wenn du trotz allem überlebst, ist es doch dem Objektivationsvermögen zu verdanken, vermittels welchen du jene unermessliche Spannung schreibend abschüttelst. Schöpfertum ist nur eine zeitweilige Rettung aus den Klauen des Todes.

Mir ist, als müsste ich wegen allem, was mir das Leben zu bieten vermag, und auch wegen der Aussicht auf den Tod bersten. Ich spüre, dass ich sterbe: aus Einsamkeit, Liebe, Hass und wegen allem, was die Erde mir darreicht. Es ist, als ob ich mich in jedem Erlebnis wie ein Ballon – weit über meine Widerstandsfähigkeit hinaus – aufblähte. In der schrecklichsten Intensivierung vollzieht sich eine Konversion ins Nichts. Du schwillst innerlich an, steigerst dich zum Wahnsinn, bis an den Rain des von der Nacht entführten Lichts, bis alle Schranken zerrinnen: und aus jener Überfülle schleudert dich ein bestialischer Wirbel unmittelbar ins Nichts hinab. Das Leben entfaltet Fülle und Leere, Überschwang und Depression; was sind wir denn schon angesichts des inneren Wirbels, der uns bis zur Absurdität ausrenkt? Ich fühle, wie das Leben in mir vor allzu ungebärdiger Inbrunst pocht, aber auch, wie es vor zuviel Ungleichgewicht kracht. Es ist wie eine Explosion, die sich kaum zügeln lasst und auch dich unwiederbringlich in die Luft zu jagen vermag. An den Grenzscheiden des Daseins merkst du, dass du deines Innenlebens nicht mehr Herr werden kannst, dass die Subjektivität ein Trugbild ist und dass Kräfte in dir brodeln, die du nicht verantworten kannst, deren Entwicklung in keinem Verhältnis zur Zentrierung der Persönlichkeit oder zu einem bestimmten individualisierten Rhythmus steht. Was erscheint an den Ufern des Lebens nicht alles als Anlass zum Tode? Man stirbt wegen allem, was ist, und allem, was nicht ist. Jedes Erlebnis ist in diesem Falle ein Sprung ins Nichts. Wenn du alles, was dir das Leben dargeboten hat, bis zum Paroxysmus, zur äußersten Anspannung durchlebst, ist jener Zustand erreicht, in dem du nichts mehr erleben kannst, weil dir nichts mehr bleibt. Selbst wenn da diese Erlebnisse nicht nach allen Richtungen durchlaufen hast, es genügt, die wichtigsten aufs Äußerste getrieben zu haben. Und wenn du dich aus Einsamkeit, Verzweiflung oder Liebe sterben fühlst, bilden die anderen Erlebnisse ein unendlich schmerzendes Trauergefolge. Die Empfindung, nach derartigen Schwindelanfällen nicht mehr leben zu können, ergibt sich aus innerer Verzehrung. Des Lebens Flammen züngeln in einem geschlossenen Herd, aus dem die Glut nicht entweichen kann. Die Menschen, die auf einer äußeren Ebene leben, sind von vornherein erlöst; aber was können sie schon hinüberretten, kennen sie doch keinerlei Fährnisse? Der Paroxysmus der Innerlichkeit und des Erlebens fuhrt dich In ein Gefilde, wo die Gefahr absolut ist, weil das Dasein, das im Erleben mit angespanntem Bewusstsein seiner Wurzeln gewahr wird, sich selbst verneint. Das Leben ist allzu begrenzt und fragmentarisch, um gewaltigen Spannungen standzuhalten. Überkam denn nicht alle Mystiker das Gefühl, nach großen Ekstasen das Leben nicht mehr fortsetzen zu können? Was sollten jene, deren Empfindungen das Normale sprengen, noch von dieser Welt erwarten: Leben, Einsamkeit, Verzweiflung oder Tod?[2]


I

me, I borrowed his body

and that segment of the flow of time

my coming into this world was like a surrealist painting

and from that moment—awesome—there was grief/joy

desire, and ambition—these I understand

although I’m only borrowing

but suddenly I clean forgot the full story

including the fact that I too was originally once a universe

and because of this, I have

elaborated games

with that being and the whole of this egg-shaped life

turning day and night into one another’s dreamworlds

when I wake in another dream

I find that I’ve

unwittingly inscribed a poem

entitled “I”

Chen Kehua[3]


2.1 Zelf-bevestigng als effect van de ontmoeting met de dood

Aeternitas (1)

Die Ewigkeit ist kalt

wie die Klinge,

mit der man schnitzt

Jesu Antlitz.

Die Ewigkeit versinkt

wie der Stein,

schau auf das Wasser,

wie still kann es sein.

Die Ewigkeit springt

wie der Floh,

ehe du ihn erwischst,

bist du im Inferno.

Die Ewigkeit ist tief

wie des Geistes Gabe,

dem innewohnt

Christi Gnade.

Die Ewigkeit tickt wie

die Uhr jede Sekunde,

doch manchmal setzt sie aus,

etwa zur Morgenstunde.

Die Ewigkeit ist spurlos

wie der Stoff,

den der Tod

ins Blut dir tropft.

Die Ewigkeit ist kurz

wie das Leben,

bis du es erzählt hast,

ist es gewesen.

Szilárd Borbély[4]


Wij treffen ons aan in een immens universum, groots en koud. Toch bewonen wij een planeet waarop het leven al heel lang van zich doet spreken door te leven. Waar komt dit leven vandaan in dit universum, wat ligt aan de bron ervan en hoe kan het dat het leven leven voortbrengt zonder einde? We treffen onszelf aan, om in deze terminologie te blijven à la Martin Heidegger, die spreekt over ‘geworfenheit’, op deze aarde als mensen, als ego’s en als zelven. Als bewoners van een lichaam, dat, zo noem ik het een ‘zelfplaats’, een ‘autotopos’ is. François Cheng, een Franse filosoof blijft zich hierover verwonderen en vraagt zich dan ook af hoe het kan dat de ontwikkeling van het universum uiteindelijk geleid heeft tot het bestaan van ons mensen, onze wereld en onze werkelijkheid waarin het leven zich veelvoudig toont. Nihilisme is hier niet op zijn plaats, als vorm van ontkenning levert dit geen inzichten op en zich beroepen op het puur materiële ontstaan van dit universum verklaart niet het feit dat het leven kon ontstaan. Cheng kiest voor het primaat van het leven, leven ontstaan uit het niets dat het geheel is, een idee ontleend aan het Daoïsme. Hij schrijft in een van zijn meditaties over de dood:

“Wir also, die wir jede Form von Nihilismus ablehnen gestehen, dass wir die Ordnung des Lebens bejahen. Hier stimmen wir in gewisser Weise mit der Intuition des Dao überein, egal welcher Kultur, welchen Überzeugungen wir uns zugehörig fühlen. DER WEG, diese ungeheure Bewegung hin zum lebendigen Universum, zeigt uns, dass ein HAUCH des Lebens das GANZE aus dem NICHTS erscheinen liess. Wie de Materialisten, aus deren Sicht “es nichts gibt”, sprechen auch wir tatsächlich vom NICHTS, aber dieses NICHTS bedeutet das GANZE. So können wir mit einem Ausspruch von Laozi, dem Vater des Daoismus, sagen: “Was ist, kommt vom dem, was nicht ist, und das was nicht ist, enthält das, was ist.”[5]

Deze woorden die misschien in onze westerse oren klinken als een soort raadseltaal berusten op een waarneming van de werkelijkheid die in begrippen als niets (NICHTS) en als geheel, totaliteit (GANZE) niet geduid worden alsof wij met onze begrippen als een soort van teken ernaar verwijzen, maar die voor die werkelijkheden staan. Ze maken deze werkelijkheid in het beeld (woordbeeld) zichtbaar en daaruit kunnen wij afleiden dat deze werkelijkheid onze waarneming voedt. Het primaat ligt dus niet bij onze waarneming, of bij onze subjectiviteit en subjectieve waarneming, maar bij de werkelijkheid als zodanig zelf en onze taal probeert dat zichtbaar te maken. Je door de werkelijkheid laten gezeggen. Veel anders is het niet bij de waarneming van de eigen lichamelijkheid. Wij zijn er al. Pas later vinden we woorden, vinden we taal om dat aanwezig zijn, om deze ervaring van lichamelijk bestaan, van zelf-zijn, uit te drukken. Cheng verwijst naar het onwaarschijnlijke van de dood, de eigen dood die ons lichamelijk kan doen ervaren dat het geheel (GANZE) omkiept in het niets (NICHTS) waardoor wij ook een voorstelling kunnen krijgen van dit niet zijn. Hij schrijft:

“…wir verfügen, selbst in unserem sehr bescheidenen Mass, über eine recht vertraute Erfahrung mit dem NICHTS, aufgrund der einfachen Tatsache, dass wir sterblich sind. Der Tod lässt uns leibhaftig den unglaublichen Prozess erfahren, der das GANZE ins NICHTS umkippen lässt.  Er gibt uns eine Vorstellung vom Zustand des NICHT-SEINS.”[6]

Omdat wij de dood in ons leven kunnen ervaren en meemaken met mensen die ons dierbaar zijn, kan dat ook ertoe leiden dat wij door het bewustzijn van de dood, het leven als iets absoluuts goeds kunnen ervaren, en zo Cheng, het ontstaan van het leven als een uniek avontuur dat door niets vervangen kan worden. Zoals wij onszelf kunnen manifesteren in de wereld, zoals het leven in en door ons gestalte heeft aangenomen en hoe wij als zelfbewuste mensen ons leven gestalte kunnen geven, is in dit licht niet vanzelfsprekend. De leegte en de ervaring van het niets van de dood kunnen een spiegel vormen, een vorm van feedback, om ons leven extra gestalte te geven opdat het leven leven voortbrengt en geen dood, geen niets. Er zijn en ervaren dat je er mag zijn en dat leven een geschenk is, dat een invulling is van het niets waaruit het is voortgekomen, kan een begin zijn van zelfkennis en zelfbewustzijn, die weet te onderscheiden en die in staat is om de goede keuzes te maken in het leven en in deze samenleving.

De mens is een wezen dat leeft van betekenis.[7] Dit algemeen geformuleerde uitgangspunt bevat meteen zijn relativering. Ook niet-betekenis en de ervaring van niet-betekenis vormt een essentieel onderdeel van de menselijke existentie. Een mens kan zin ervaren als hij nieuwe betekenissen ontdekt. Dat geeft de ziel vreugde. Ze leeft op. In een liefdesrelatie is de geliefde de betekenisvolle andere en telkens als deze op de voorgrond treedt krijgt de ervaren en geuite liefde een stimulans: betekenis wordt toegevoegd, wordt ervaren, telkens opnieuw en de geliefden krijgen geen genoeg van elkaar. Dat is de vreugdevolle kant van het leven zoals die in ervaren liefde tot uitdrukking kan komen. De droevige kant van het leven wordt ervaarbaar bij de dood van een geliefde. De ‘betekenisloosheid’ van dit gebeuren, want er wordt geen (positieve) betekenis toegevoegd, eerder voelt het alsof je iets wordt ontnomen, kan hard aankomen. ‘Betekenisloosheid’ hier vooral als een ervaring van zinloosheid, van het niet kunnen plaatsen van wat je overkomt. De geliefde die betekenisvol voor je was is nu slechts nog een dood lichaam. Betekenissen zijn er nu alleen nog in de vorm van herinneringen, van ervaringen die voorbij zijn. Het concrete lichaam en de geest van die mens zijn achter een scherm, achter een waas van het niets verborgen geraakt. Daarom is de dood van een geliefde ingrijpend: betekenissen die eerst golden worden je nu uit handen geslagen. Je wordt teruggegooid op jezelf. Zelf draai je rond in je eigen moeras van betekenissen die zijn weggezakt, die je misschien wel wilt grijpen maar die zich aan je greep onttrekken. Je zult het moeten gaan doen met de betekenissen in je hoofd, in je herinnering en met de materiële overblijfsels van je geliefde. Brieven, persoonlijke spullen, kleding, uitspraken, gedeelde ervaringen, een fotoboek, een vervagende geur, een opgeroepen gevoel van aanraken, tasten, een lichamelijke koestering, hoogte en dieptepunten uit de relatie.

Zoals de liefde in het leven het zelf bevestigt, zo bevestigt de dood het zelf op een andere wijze met betrekking tot betekenis-geven. Identiteit ontleend aan betekenisvolle relaties krijgt in confrontatie met de dood een nieuwe betekenis. De relaties hebben een andere vorm gekregen, de betekenissen zijn verschoven, en het zelf moet nu maar zien hoe het deze betekenisverschuiving in het eigen leven en het eigen zelfverstaan kan integreren. Dat is vaak een lang en pijnlijk proces omdat de dood van een geliefde voelt als een amputatie. Een hap uit je leven, je betekenisvolle omgang met de dingen en de mensen. Rouwenden spreken dan ook vaak over de ervaring dat hun leven nu geen of minder zin meer heeft. Het verlies treft hen in het diepst van hun zelf ervaren zin die door betekenisgeving tot stand komt. De breuk vindt plaats in dit proces. Betekenisgeving die eerder zin verschafte wordt afgebroken en het lijkt wel alsof er een omgekeerde beweging is ingezet naar niet-zin, zinloosheid. Pas als het zelf deze omgekeerde beweging kan ervaren, zich erin kan uiten, tot de bodem gaan van deze zinloosheid, is er een terugkeer mogelijk. Pas als de bodem is bereikt van deze ervaren zinloosheid is er een weg omhoog, terug het leven in, op weg naar nieuwe zin.

Dit model van dalen en stijgen, van de ervaring van het zelf dat in de diepte valt, op de bodem landt, en dan besluit dat het niet op deze bodem wil blijven voortbestaan, is een therapeutisch model. Het wordt toegepast in de begeleiding van mensen die deze ingrijpende ervaring meemaken. Op de bodem van ervaren zinloosheid aanbeland is er vaak maar een uitgang: kiezen voor het niet meer willen verblijven in deze afgrond. Sommigen kiezen voor een einde aan het leven en aan deze ervaren zinloosheid, anderen vechten zich weer een weg omhoog. Deze keuze is fundamenteel. Het is een keuze op de bodem ook van het zelf. Hoe de keuze zal aflopen is niet altijd vooraf te voorspellen in deze confrontatie met de dood van een geliefde. Er is veel te winnen, maar vanuit de afgrond is het licht vaak te ver weg om nog waargenomen te kunnen worden. In de afgrond is de wereld donker en zwart en houden hoogstens de herinneringen aan een wereld daarbuiten je nog op de been. Vaak vormen die dan ook de motivatie om de klim aan te vangen, om niet te versagen in de afgrond en de diepe moedeloosheid en zinloosheid ervan. In de afgrond-ervaring ervaart het zelf de leegte van de betekenisloosheid, de betekenis van de leegte als leegte. In elk zelf schuilt die ervaring, die mogelijkheid om de leegte in zichzelf, in het zelf, het diepere zelf dat leeft van de betekenissen, te ervaren.


Walking

once we moved in an age of ideas and signs

debate’s lexicon gouging at truth

we then entered a world of instruments and logic

trudging through wastes beyond hypotheses and equations

before soaring into a universe of introspection and dream

unfocussed consciousness like the 3000 layers of an onion of

worlds-within-worlds

these days, we walk in an age of replication and chatter

this limited life forging away specially for the sake of futility

new dilemmas hatch from outdated language

as fertile as ant nests

“love is universal but we are universally unable to love”

light goes in straight lines but it also curves

time is delusion, space illusion

no birth no death no filth no purity no increase no decline

must we go on walking whereverwards or will

wherever come walking towards us next?

Chen Kehua[8]


[1] Guy Sajer, De vergeten soldaat. Roman, Amsterdam Antwerpen 2021. Telkens komt de zinloosheid van het leven ter sprake, telkens als er weer een veldslag is overleefd, of tijdens de angst die deze gruwelijke verwoesting van het oorlogsgeweld met de psyche en de geest van de soldaten doet.

[2] E.M. Cioran, Werke, Frankfurt am Main 2008 (Suhrkamp), pp. 17-18

[3] Chen Kehua, Simon Patton, Manoa, University of Hawai’i Press, Volume 15, Number 1, 200, pp. 17-19 (bron: internet geraadpleegd 12 december 2021:  https://muse.jhu.edu/article/42466#info_wrap)

[4] Ibid., pp. 95-96

[5] François Cheng, Fünf Meditationen über den Tod und über das Leben, München 2015 (C.H. Beck), p. 18

[6] Ibid, p. 18

[7]  Vgl. wat Pessoa in deze geest oppert: “Wir werden aller Dinge müde, nur des Verstehens nicht. Der Sinn dieses Satzes ist mitunter schwer zu fassen. Wir werden des folgernden Denkens müde, denn je mehr wir denken, analysieren, unterscheiden, desto weniger kommen wir zu einer Schlussfolgerung. Wir verfallen dann in jenen Zustand der Trägheit, in dem wir nur noch verstehen wollen, was dargelegt wurde – eine ästhetische Haltung, denn wir wollen verstehen, ohne uns zu interessieren, ohne uns darum zu kümmern, ob das Verstandene wahr ist oder nicht; ohne in dem Verstandenen mehr zu sehen als die exakte Form seiner Darlegung, den Stellenwert der rationalen Schönheit nämlich, den es für uns hat. Wir werden des Denkens müde, der eigenen Meinungen, des Denken-Wollens am des Handelns willen. Jedoch werden wir es nicht müde, wenn auch nur zeitweilig, fremde Meinungen zu haben, nur um ihren Einfluss zu spüren und nicht etwa, um ihrem Impuls nachzugeben.” in: Fernando Pessoa, Das Buch der Unruhe des Hilfsbuchhalters Bernardo Soares, Zürich 2006 (Ammann Verlag), p. 239

[8] Ibid., Chen Kehua, (bron: internet, geraadpleegd 22 december 2021: https://muse.jhu.edu/article/42466#info_wrap)