Beelden van, beelden over God

Overweging Studentenkerk 19 juni 2022



Welkom

De genade van de Barmhartige moge bij ons blijven, alle dagen van ons leven.

Beste mensen welkom in deze viering, ook zij die misschien hier voor het eerst zijn.

Vandaag gaat het over beelden van God óf beelden over God.  Dat laatste is misschien correcter want wij mensen zeggen iets over God. Zoals de theoloog Kuitert zei: alles wat we over boven zeggen, komt van beneden.  Velen die echter vast vertrouwen op de bijbelse teksten, soms letterlijk, zullen zeggen dat God zichzelf openbaart in zijn woorden  en dat wij dus daarop mogen vertrouwen, dat ze waar zijn als het over Hem gaat. Maar dan nog blijft het hermeneutiek: dat wil zeggen, wij lezen én interpreteren dat… Met alle valkuilen van dien. Hoe zouden wij God kennen in als zijn volheid? Is ons mensenverstand daar wel toereikend voor? Bescheidenheid is dus op zijn  plaats, zo vermoed ik. De bijbel heet geopenbaard: God openbaart zich via het mensenwoord door mensen aan ons…door de profeten, door Jezus.

Vandaag lezen wij bij Jesaja op welke bijzondere wijze God zich wil laten kennen. Bij Jezus wordt het verhaal verteld over de onreine geest die bezit genomen heeft van een man en als hij Jezus ziet schreeuwt hij tot hem: wat heb ik met jou te  maken, Jezus, zoon van de allerhoogste God, ik smeek je, doe me geen pijn. Ook dit is een bijzondere wijze hoe God zich door Jezus wil laten kennen…

Laten we nu eerst stil worden en bidden:

Overweging

Welk beeld van God zou de heer Poetin aanhangen, of de heer Assad?  Maar laten we ons daarover nu niet druk maken. We komen er sowieso niet achter. De effecten van hun handelen, de talloze doden door bombardementen in Oekraïne,  en chemische aanvallen in Syrië, maken meer dan duidelijk aan welke kant ze staan.

Laten we vandaag ons bezig houden bij welk beeld van God wij zelf ons thuis voelen. Daarvoor zou ik eerst een getuige willen aanhalen die 90 jaar geleden hierover een  Diesrede hield toen hij rector was op deze universiteit: Titus Brandsma. Een rede van een uur over het Godsbegrip. Iets wat vandaag de dag waarschijnlijk  nogal wat vragen zou oproepen qua duur en qua inhoud, ook op deze universiteit.

Na de begroeting opent Brandsma met deze constatering en probleemstelling:  “Onder de vele vragen, welke ik mijzelven stel, houdt wel geen mij meer bezig dan het raadsel, dat de zich ontwikkelende mensch, prat en fier op zijn vooruitgang, zich in zoo grooten getale afkeert van God.” En vervolgend:  “Ontstellend is het, dat wij in onzen tijd van zoo grooten vooruitgang op allerlei gebied staan voor een, als een besmettelijke ziekte voortwoekerende Godsonteering en Godsontkenning.”

De toon is gezet. Titus Brandsma stelt dat wij in een tijd leven van grote verwarring. Hij zegt dat de meest tegenstrijdige stelsels als waarheid worden gehuldigd  en door erkende geleerden met geestdrift verdedigd.  Maar de meest ontzettende tegenstelling ziet hij in de gedachten omtrent God. “Tegenover de gelovigen die wel nog in God geloven, is er een heel grote groep die God geen enkele ruimte gunt.” Zo Brandsma. Volgens hem is de menselijke geest verblind geraakt, op een dwaalweg.

 Wat deze tekst nog steeds actueel maakt zijn de vragen die hij stelt:

 “Wat is het Godsbeeld, dat wij dragen?  Zal het sterk zijn en in staat, de wereld te veroveren voor Hem?” “Een tweede vraag, welke wij dus te beantwoorden hebben, is,  welk Godsbegrip deze tijd in het bijzonder ontwikkelt en noodig heeft.” In beide vragen vibreert een strijdlustige geest, een geest die de wereld opnieuw wil laten kennismaken met God en zijn werken.  Een geest die wil getuigen, die ook getuigenis van zijn geloof wil afleggen.

Wat is het beeld van God waar wij ons thuis bij voelen en wat zegt dat over ons. Dat is de vraag die ik vandaag als uitnodiging aan ons allen wil stellen – om over na te denken, ook straks weer als u thuis bent. Ik zal maar meteen met de deur in huis vallen en vertellen waar ik zelf sta. Hoe ik zelf tegen beelden van én over God aankijk. Op het vlak van geloven, dat wil zeggen, geloven als vertrouwen,  hecht ik meer waarde aan de kracht van de poëzie, dan aan de stelligheid van de wetenschap, een stelligheid die zeker op het terrein van geloven relatief is.  Poëzie, ik heb het vaker betoogd, opent nieuwe horizonten, nieuwe dieptes. De taal kan je bij de hand nemen en de beelden dichter bij jezelf en bij God. Misschien is het daarom wel dat God spreekt via de psalmen, de profeten, de dichters, de geïnspireerde schrijvers en niet via de wiskunde of de filosofie.  Hoewel wiskundigen, natuurkundigen en filosofen natuurlijk ook kunnen geloven. Ik vermoed dat de tegenstelling tussen wetenschap en geloven een kunstmatige is. Maar dit terzijde.

Als wij naar het beeld van God kijken in onze lezing uit Jesaja valt me op hoe God zich daar zelf presenteert: hier ben Ik, hier ben Ik… Het klinkt bijna in mijn oren als een kind dat zich heeft verstopt bij het spelletje en dat wacht totdat het wordt gevonden, maar de andere kinderen zoeken niet meer. Het heeft bijna iets machteloos, maar misschien leg ik dat nu erin. Want het vervolg is niet meer zo onschuldig en hulpeloos: God kondigt straf aan. Straf voor de mensen die God hebben verlaten en nu voor de god van het geluk de tafel hebben gedekt, voor de god van het fortuin de kruiken hebben gevuld. Prachtig vind ik deze beeldspraak, prachtig én krachtig, omdat het actueel is.

Happiness, happiness-functionarissen in bedrijven, opdat mensen beter presteren. Het najagen van geluk, geluksspelen, gokken, casino’s, kansspelen om rijk te  worden, of met andere woorden veel geld is gelijk aan veel happiness! Veel geluk. O Fortuna, wordt in de liederencyclus Carmina Burana gezongen.  Het eerste lied, over de godin Fortuna, zegt: wreed en ijdel lot, jij wentelend rad…. Wie zijn kaarten zet op deze god, op dit gewenst geluk is een dwaas. Hen wacht het volgende lot, zoals een ander lied zegt:

“De wonden die Fortuna sloeg beklaag ik met betraande ogen,
omdat zij haar geschenken op perverse wijze aan mij onttrekt.
Het is waar wat men leest, dat zij een weelderige haardos heeft,
maar als men zijn kans wil grijpen is ze kaal.

Op de troon van Fortuna zat ik hoogverheven,
omkranst met verschillende symbolen van voorspoed;
Ondanks alle voorspoed die ik heb gekend, zalig en gelukkig,
ben ik nu van de top neergestort, en ben ik mijn glorie kwijt.”



Ik vermoed dat het velen zo zal vergaan die nu op de troon zitten van de macht… Aan alles komt een einde, zeker als je de verkeerde god of godin dient.

Een heel ander beeld van God krijgen we in onze evangelielezing. Jezus, als zoon Gods, heeft de macht om demonen te verdrijven. Wat ik altijd typisch blijf vinden is dat we veelal wel waarde hechten aan woorden van Jezus over liefde tot de naaste en andere uitspraken, maar dat we niet  meer geloven dat mensen bezeten kunnen zijn door demonen, dat er een hel is, dat er een hemel vol engelen is, dat goede en kwade machten, zoals engelen en duivels niet meer in ons plaatje passen. Ons wetenschappelijk wereldbeeld heeft hen verdreven, maar we geloven wel nog in God of hopen wel nog op Hem als barmhartige kracht vol genade. Wat is hier aan de hand dat we deze selectie maken? Salman Rushdie veranderde een klein vers uit de Koran: meteen werd de doodstraf over hem uitgeroepen. Als je een vers betwijfelt valt het hele bouwwerk.

Bij ons christenen, bij ons gelovigen, ligt dat vermoed ik, meestal toch anders.  We noemen dat een proces van ‘verlichting’, onderscheid kunnen maken. We zijn zogenaamd verlichte geesten. Maar ons gedrag getuigt daar niet altijd van: als er oorlogen plaatsvinden, ook in naam van God, als de aarde wordt uitgeput en er geen toekomst meer is voor het nageslacht, ben je in mijn ogen niet zo verlicht. Eerder verdonkerd. Rijp voor de hel.

Zelfs de demonen zijn bang voor de hel. Ze smeken Jezus om hen niet te bevelen  om naar de αβύσσος te gaan, die grenzeloze diepte, afgrond, de poel van ellende. Een niet te peilen diepte, de Septuagint vertaling van het Hebreeuwse ‘Tehom’, uit Genesis 1, wat later in de traditie het rijk van de dood, de diepte van de zee, en in het Nieuwe Testament het dodenrijk, of de hel is gaan heten, Hades. De demonen mogen van Jezus in de onreine varkens varen en verdrinken. Alles beter dan de hel. De dorpelingen die later aankomen willen niks met Jezus te maken hebben. Ze zijn bang en Jezus vertrekt. Ik vermoed dat ze niet hebben begrepen  wat hier is gebeurd. Ook de genezen man moet zijn eigen weg gaan.

Twee of meer beelden van en over God worden ons hier gepresenteerd.  Allemaal weer anders, met een andere lading en andere context. Waarom zou je hiervan een eenheidsworst moeten maken? Ik heb die behoefte niet. Ik geniet van de veelzijdigheid en veelduidigheid ervan. Elk beeld is in mijn ogen een uitnodiging, om je toe te verhouden, en om zo ook iets over jezelf,  over je eigen beelden, oordelen en vooroordelen te leren. Misschien houdt elk beeld van God ons wel een spiegel voor. Het is aan ons om die uitdaging aan te gaan. Durven we in die spiegelt te kijken? Het is een van de uitnodigingen die ook door Titus Brandsma worden gedaan. Ken uzelf, leer God kennen als je diepste grond en handel ernaar.  Veel sterkte in dit proces.

John Hacking

Bijbelteksten:

Jesaja 65,1-12: (Naardense Bijbel)

Ik was te bevragen en ze vroegen niet, ik was te vinden en ze hebben niet gezocht; ik heb tot een volk gezegd: hier ben ik, hier ben ik!, en het riep mijn naam niet aan. Heel de dag heb ik mijn handen uitgebreid naar een weerspannige gemeente maar ze gaan de weg die niet goed is, hun eigen plannen achterna. Zo’n gemeente, ze krenken mij vlak in mijn aanschijn, voortdurend,- door offers te slachten in hun hoven en wierook te branden op de plaveisels. Ze zitten neer in grafkamers, brengen in spelonken de nacht door; ze eten vlees van een varken, bloedsoep bederft hun vaatwerk. Ze durven zeggen: jij, nader mij niet, raak me niet aan, want ik ben te heilig voor jou!- maar ze zullen zijn rook voor mijn toorn, een vuur dat blijft laaien heel de dag. Zie, het staat geschreven voor mijn aanschijn; ik zal niet rusten voordat ik heb vergolden, ieder van hen persoonlijk heb vergolden uw eigen ongerechtigheden en het onrecht van uw vaderen tezamen, heeft de Ene gezegd,- die wierook brandden op de bergen en op de heuvels mij hebben veracht; uitmeten zal ik hun verdiende loon, vergelden zal ik het aan ieder persoonlijk.

Maar zo heeft de Ene gezegd: zoals most te vinden is in de druif en men zal zeggen: vernietig die niet, want er zit zegen in!, zó zal ik doen omwille van mijn dienaars, ik zal niet alles vernietigen. Uit Jakob zal ik een zaad uitleiden, uit Juda een die mijn gebergten beërft; mijn uitverkorenen zullen ze beërven, mijn dienaars zullen daar mogen wonen, Sjaron zal worden tot een weide vol wolvee, het dal Achor een plek waar het rundvee zich neervlijt,- voor mijn gemeente: zij die mij zoeken.

Maar gij die de Ene hebt verlaten, die de bergen van mijn heiligdom vergeet, die voor Goed Geluk een tafel aanricht, die voor het Lieve Lot de plengbeker volgiet: het lot dat ik u zal toedelen is het zwaard, allen zult ge ter slachting neerknielen,- omdat ik riep en gij niet hebt geantwoord, ik heb gesproken en gij niet hebt gehoord, ge deedt wat kwaad is in mijn ogen, en waarin ik geen behagen had, dat hebt ge verkozen.


Lucas 8, 26-39 (Naardense bijbel)

Ze zakken af naar de landstreek van de Gerasenen,- die tegenover Galilea ligt. Maar als hij uittrekt het land op, treedt zomaar een man hem tegemoet, uit de stad; hij heeft demonieën in zich: sinds geruime tijd trekt hij geen kleding meer aan en verblijft hij niet in een huis nee, in de rotsgraven. Maar als hij Jezus ziet valt hij opschreeuwend voor hem neer  en met grote stem zegt hij: wat is er tussen mij en jou, Jezus, zoon van God de Allerhoogste?- ik smeek je: pijnig me niet! Want hij heeft aan de onreine geest afgekondigd dat hij moet uittrekken uit deze mens; want tijden lang heeft hij hem aangegrepen, en moest hij, ter bewaking, met kettingen en voetboeien vastgebonden worden; maar dan verbrak hij de banden en werd hij door de demonie  de woestijnen ingedreven. Maar Jezus vraagt hem: wat is je naam? Hij zegt: Legioen!- omdat de demonieën met vele in hem zijn binnengekomen. Ze hebben hem aangeroepen dat hij hun niet zou opdragen de afgrond in te gaan. Maar er is daar een kudde van heel wat zwijnen geweest die geweid werd in het bergland;  ze roepen hem aan dat hij hun zal toestaan hén binnen te komen, en hij staat hun dat toe; maar wegkomend uit die mens komen de demonieën bij de zwijnen binnen; de kudde beweegt zich van de helling af het meer in en verdrinkt.

Maar als zij die hen weiden zien wat is geschied, vluchten ze en verkondigen het aan de stad en aan de velden. Maar zij komen naar buiten om te zien wat is geschied; ze komen aan bij Jezus en vinden de mens, uit wie de demonieën zijn gekomen, gekleed en bij zijn verstand zittend aan de voeten van Jezus; zij worden bevreesd. Maar zij die alles hebben gezien verkondigen aan hen hoe hij die door demonieën werd beheerst is gered. Heel de menigte uit de landstreek van de Gerasenen vraagt hem om bij hen weg te gaan, omdat zij omvat zijn door grote vreze; en hij stapt in de boot en keert terug. Maar de man uit wie de demonieën zijn gekomen heeft hem gesmeekt met hem samen te mogen zijn; maar hij laat hem los, zeggend: keer terug naar je huis en verhaal al wat God je heeft gedaan! Hij gaat weg, heel de stad door predikend al wat Jezus aan hem heeft gedaan.

Carmina Burana: O Fortuna

O Fortuna, zoals de maan in veranderlijke gestalten, neem je altijd toe of af 
– een beklagenswaardig leven – nu eens verhardt het en dan weer verkwikt het 
de scherpte van de geest met z’n spel, armoede, macht, zij lost ze op als ijs.

Wreed en ijdel lot,  jij wentelend rad,  je bent kwaadwillend, het geluk is vluchtig
en voorbijgaand, omfloerst en verborgen al je mij ook lastig; oor je misdadig spel 
loop ik nu met een blote rug.

Het lot dat voorspoed en geluk brengt is nu ongunstig voor mij; bestaat uit passie
en moedeloosheid altijd in onzekerheid. Bespeel in dit uur  zonder uitstel 
de snaren van de lier; Klaagt allen met mij, omdat zij door het lot de sterke velt!      


Carmina Burana:  De wonden die Fortuna sloeg beklaag ik

De wonden die Fortuna sloeg beklaag ik met betraande ogen,
omdat zij haar geschenken op perverse wijze aan mij onttrekt.
Het is waar wat men leest, dat zij een weelderige haardos heeft,
maar als men zijn kans wil grijpen is ze kaal.

Op de troon van Fortuna zat ik hoogverheven,
omkranst met verschillende symbolen van voorspoed;
Ondanks alle voorspoed die ik heb gekend, zalig en gelukkig,
ben ik nu van de top neergestort, en ben ik mijn glorie kwijt.

Het rad van fortuin draait voort: ik daal vernederd neer, terwijl een ander stijgt;
al te verheven zit hij als een koning op de top – laat hij oppassen voor z’n val! Want onder aan het rad lezen wij de naam van koningin Hecuba.

(Hecuba: koningin van Troye, symbool voor diepe smart)


Citaten uit Titus Brandsma, Godsbegrip,  Diesrede 1932

“Wij leven in een tijd van groote verwarring in het rijk der gedachte. De meest tegenstrijdige stelsels worden als waarheid gehuldigd en door erkende geleerden met geestdrift verdedigd. Maar de meest ontzettende tegenstelling zie ik in de gedachten omtrent God.”

Tegenover de gelovigen die wel nog in God geloven, is er een heel grote groep die God geen enkele ruimte gunt.

“De menschelijke geest moet ondanks den grooten vooruitgang op velerlei gebied toch vreeselijk verblind zijn, dat hij God niet meer vermag te zien. Die verblinding is echter geen totale blindheid.”

Verblinding is volgens Brandsma gevolg van een mentaliteit die het oog verduistert, maar komt ook omdat God niet meer in het juiste licht wordt geplaatst zodat Hij ook door de verblinden kan worden gezien.

“Wat is het Godsbeeld, dat wij dragen? Zal het sterk zijn en in staat, de wereld te veroveren voor Hem?”

“Een tweede vraag, welke wij dus te beantwoorden hebben, is, welk Godsbegrip deze tijd in het bijzonder ontwikkelt en noodig heeft.”

***

Woorden zijn kleine hefbomen,

maar wij hebben hun steunpunt nog niet gevonden.

Wij laten ze op elkaar steunen

en het bouwwerk geeft mee.

Wij laten ze steunen op het gezicht van de gedachte

en zijn masker slokt ze op.

Wij laten ze steunen op de rivier van de liefde

en ze gaan ervandoor met de rivier.

En wij blijven hun som zoeken

op een enkele hefboom,

maar wij weten niet wat we willen optillen,

het leven of de dood,

de handeling van het spreken

of de gesloten cirkel van het mens-zijn.

Roberto Juarroz,

Uit: Roberto Juarroz, Vertikale poëzie. Een keuze uit verticale poëzie I t/m XIII. Vertaald door Mariolein Sabarte Belacortu, Amsterdam 2002 (Wagner & Van Santen)

Een gedachte over “Beelden van, beelden over God

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.