
Verlangen naar het weten
De eerste zin van Aristoteles’ Metaphysica
In: Lier en boog. Tijdschrift voor de filosofie van de kultuur en van de kunst, jg. 9 nr. 1-2, 1994, p. 5-15
CORNELIS VERHOEVEN
Verlangen naar het weten
De eerste zin van Aristoteles’ Metaphysica
Ter ere van Hubert Dethier, een gepassioneerde filosoof, een geboren docent en boven alles een aangename vriend, schrijf ik hier de tekst uit van een college dat ik vorig jaar heb gegeven aan middelbare scholieren. Een van mijn retorische bedoelingen was een beetje propaganda te maken voor de studie van de wijsbegeerte.
1
Wat ik ga zeggen, is aangekondigd als een college. Gewoonlijk krijgen leerlingen van het middelbare onderwijs geen colleges, maar lessen. Het verschil tussen een les en een college is onder andere, dat je van een les iets leert. De bedoeling van een college is soms, dat studenten iets afleren, en bij een filosofisch college gaat het dan dikwijls om het afleren van iets wat tot dan toe vanzelfsprekend leek. Zekerheden nemen immers niet evenredig toe naargelang het onderwijs hoger wordt. Misschien is dat ook het effect van dit college.
Het komt erop neer, dat ik van plan ben als docent en in aanwezigheid van mede-docenten wetens en willens op zijn minst twee kapitale didaktische fouten te begaan, iets wat je bij een les nooit mag doen. Ten eerste zal ik maar één zin bespreken en dan nog een heel korte, een zin van zes woorden. Ik zal dus in de kostbare tijd veel te weinig stof behandelen. Ten tweede gaat het over een heel eenvoudig zinnetje, de eerste en inleidende woorden van Aristoteles’ Metaphysica, en is mijn doel niet die zin nog eenvoudiger te maken, maar juist gecompliceerder. Dat is een omkering, om niet te zeggen, een perversie, van de beproefde en dus met enig recht gebruikelijke didaktiek. Die stelt zich immers ten doel dat wat op het eerste oog duister lijkt glashelder te maken. Want daar leren we wat van.
Een didaktiek van de geleidelijk afnemende vanzelfsprekendheid. zoals ik die in dit college wil beoefenen, lijkt daarom een onderwijskundig onding. Laten we dat onding dus meteen maar ‘filosofisch’ noemen, dan is het ongevaarlijk.
2
De zin die ik wil bespreken is, zoals ik al zei, de eerste uitspraak uit het eerste boek van Aristoteles’ Metaphysica, een van de basisboeken van de westerse filosofie. Dat boek valt buiten de op scholen gebruikelijke pensa, omdat Aristoteles als te moeilijk wordt beschouwd. Dit geeft mij enige vrijheid en het ontlast bovendien mijn geweten: ik kan met mijn uiteenzetting de jeugd niet bederven.
De Metaphysica van Aristoteles is een verzameling van veertien dossiers met over het algemeen tamelijk provisorisch geformuleerde, hier en daar nogal dorre, aantekeningen over wat ‘de eerste filosofie’ heet, het wijsgerig denken over fundamentele zaken, inclusief het denken zelf. Dat is namelijk van meet af aan een kenmerk van wijsgerig denken: het denkt niet over de dingen zonder ook dat denken zelf daarbij te betrekken en zijn eigen bevoegdheid kritisch te bekijken.
Het eerste boek van de Metaphysica begint met een nauwkeurig geformuleerd en retorisch doorwrocht hoofdstuk over wat ’sophia’ is, wijsheid of deskundigheid, en wat het is waar wijsgeren naar begeren te zoeken. Wat Aristoteles zo noemt is niet de milde levenswijsheid, zoals die de ouderen siert, maar een vorm van intellectuele kennis die zich vooral door drie eigenschappen onderscheidt van feitenkennis of ervaring:
1. zij is een kennis van het algemene, niet alleen van het bijzondere,
2. zij is een kennis van oorzaken en verbanden, niet alleen van te constateren feiten en empirische gegevens, dus van het ‘waarom’ en niet alleen van wat Aristoteles het ‘dat’ noemt,
3. zij wordt niet om enig praktisch nut gezocht, maar nagestreefd om zich zelf. Zij dient geen hoger doel, maar is zelf het hoogste.
De vraag, hoe deze drie eigenschappen zich onderling verhouden, is hier niet aan de orde en wordt ook door Aristoteles niet systematisch besproken. Het gaat er nu om, wat al in de eerste zin over deze kennis wordt gezegd. Ik citeer hem eerst in het Grieks: ‘pantes anthroopoi toü eidénai orégontai phúsei’. In de vertaling van H. van Ley luidt deze zin: ‘Alle mensen hunkeren van nature naar het kennen.’ Ik haal nu nog een paar zinnen uit het vervolg van de tekst aan in dezelfde vertaling: ‘Een aanwijzing daarvoor vormt het behagen dat wij scheppen in de zintuiglijke gewaarwordingen: ook afgezien van hun nut worden zij geliefd om hunnentwil, maar meest van al nog die door middel van de ogen. Niet alleen, immers, terwille van het handelen, maar ook als we niet van zins zijn enige handeling te verrichten, verkiezen wij het zien om zo te zeggen boven al de rest.’
3
Een goede leerling heeft het nu waarschijnlijk al begrepen en kan zijn eigen dagdromen voortzetten. Aristoteles zegt, dat kennis uiteindelijk niet een praktische, maar een louter beschouwelijke aangelegenheid is of, wat minder absoluut uitgedrukt, dat de beoefening van die kennis het best tot haar recht komt, als daarbij niet aan een praktische toepassing wordt gedacht, en hij laat die beschouwelijke kennis als het ware een verlengstuk zijn van de visuele waarneming. Omdat alle mensen graag kijken, kan hij dus ook zeggen dat alle mensen verlangen naar wat hij als kennis beschouwt. Kennis is een beschouwelijke lust.
Dat punt op zich zelf, als ik deze onderbreking mag aangrijpen voor een leerzame uitweiding, zou ons, leerlingen en docenten, te denken kunnen geven. Wij kennen wel een ‘leerplicht’ die voor iedereen geldt, maar geen ‘leerverlangen’ of een ‘leerlust’ die aan alle mensen eigen zou zijn. Kennelijk is in onze samenleving het leren wel elementair genoeg om het verplicht te stellen, maar niet aantrekkelijk genoeg om erop te vertrouwen dat het als een lust gecultiveerd zal worden. Wat zou er, kunnen we ons afvragen, met onze eetlust en met andere lusten gebeuren, als die van staatswege tot dure plichten werden verheven en tot voorwerp gemaakt van eindeloos gemoraliseer over ons bestwil? Maar dit tussen haakjes.
Ik denk, dat met zo’n vaststelling over de beschouwelijkheid aan de betekenis van deze zin niet voldoende recht gedaan is. Om dat wel te doen, moeten we aandacht besteden aan enkele details. Details zijn namelijk altijd heel belangrijk als het om grote dingen gaat. Een van die details is de positie van de zin aan het begin van het tractaat, een ander is het voorlopige en inleidende gebruik van woorden die in het verdere verloop van het vertoog door andere woorden vervangen zullen worden, zoals bijvoorbeeld ‘weten’ door ‘wijsheid’. Bij de bespreking van deze details moet uiteraard ook de vertaling ter discussie worden gesteld, bijvoorbeeld woorden als ‘hunkeren’ en ‘weten’.

4
De zin die ik zojuist citeerde, is niet zomaar een losse kalenderwijsheid, maar een doordachte en taktisch geplaatste begin zin van een bepaald type. Begin-zinnen zijn altijd een beetje hachelijk en vormen in de antieke retorica dan ook een voorwerp van veel aandacht en zorg. Zij moeten als het ware hun eigen willekeur opheffen door meteen te passen in de cirkel van het betoog en daarvan deel uit te maken.
Pas in het betoog zelf komt de uitspraak waarmee het begint, tot haar recht. Het vervolg wijst terug naar het begin en licht dat toe. Als Descartes bijvoorbeeld zijn Discours begint met te zeggen dat het gezonde verstand van alles in de wereld het beste en tot ieders volle tevredenheid verdeeld is, palmt hij niet alleen de lezer in, maar kan hij op basis hiervan ook verder gaan met te beweren, dat de onmiskenbare verschillen in intellectuele prestaties het gevolg zijn van verschillen in methode. Die methode krijgt hierdoor een bijna nog groter gewicht dan het verstand.
Aristoteles zelf heeft in zijn Rhetorica dat probleem van het begin aangesneden. Hij zegt daar: ‘De meest noodzakelijke en specifiek daaraan eigen functie van de inleiding ligt hierin duidelijk te maken wat het doel en de opzet van het betoog is.’ (1415 a 22-24) Hij weet dus precies waar hij het over heeft en beoefent een ambacht dat hij goed kent.
Zijn eigen uiteenzettingen beginnen nogal dikwijls met een algemene uitspraak die in het verdere betoog blijft functioneren als premisse en achtergrond, De Ethica Nicomacheia, om een heel nauw verwant voorbeeld te noemen, opent met de zeer algemene bewering: ‘Elke wetenschap en elk onderzoek, en zo ook elke handeling en elk besluit is, naar wij menen, gericht op iets goeds: vandaar dat men het goede terecht heeft aangeduid als datgene waarop alles gericht is.’ (1094 a 1-3)
Van dit type is ook de eerste zin van de Metaphysica: hij bevat meteen een grote bewering, ook in verband met een universeel streven, nu niet van alles, inclusief de dingen, maar van alle mensen. De uitspraak gaat namelijk met over sommige mensen, over veel mensen of over alle mensen van een bepaalde klasse. Aristoteles heeft niet een statistisch onderzoek gedaan of een stemming gehouden waarvan hij nu de uitslag gaat meedelen. Hij spreekt, als ik even een grammaticaal detail naar voren mag brengen, over ‘pantes anthroopoi’ en niet over ‘pantes hoi anthroopoi’. Hij bedoelt dus niet alle mensen van een eerder omschreven groep, ‘al die mensen’, maar alles wat mens heet, alle mensen zonder uitzondering en ondanks allerlei onderlinge verschillen. Wat hij aan die mens, dé mens, de mens als zodanig, toeschrijft is wat hij door zijn natuur is en wat hem van het dier onderscheidt: dat is een gericht zijn op het weten als op iets goeds. In het Grieks staat ‘alle’ vooraan in de zin en ‘van nature’ achteraan: zij horen bij elkaar en rechtvaardigen elkaar; de rest wordt tussen die twee woorden ingeklemd: het gaat om alle mensen omdat het over hun natuur gaat, hun wezen, niet over een toevallige eigenschap of een tijdelijke bevlieging van bepaalde mensen.
Aristoteles definieert dus hier, zoals hij ook op andere plaatsen met weer andere woorden doet, mensen als redelijke wezens en als beschouwelijke denkers. Het is, alweer tussen haakjes gezegd, misschien typisch voor filosofen dat te doen. Ik denk niet dat voetballers of postzegelverzamelaars dé mens zuilen definiëren als voetballer of filatelist. Maar de definitie heeft een revolutionaire achtergrond. Aristoteles zet zich met zijn definitie ook af tegen de oude, religieuze, omschrijving van de mens als sterveling, gesteld tegenover de góden als onsterfelijken. In het weten concurreren mensen met góden. Ik zal daar aanstonds nog op terugkomen.
5
Ik denk intussen, dat ‘hunkeren’ een niet zo gelukkige vertaling is van het door Aristoteies gebruikte ‘orégontai’. ‘Hunkeren’ klinkt te subjectief en te romantisch en vooral ook te incidenteel: hunkeren is in de eerste plaats iets wat we af en toe eens doen of wat je zo eens kunt hebben en in de tweede plaats iets wat je heel nadrukkelijk ergens van binnen voelt. In de vaststelling van Aristoteies is eerder sprake van een natuurwet die mensen permanent en zelfs zonder dat zij dat weten en willen op een bepaald doel richt, ongeveer zoals ze bloemen richt naar de zon. Van bloemen zeggen we gewoonlijk niet dat zij ‘hunkeren’ of ‘snakken’ naar het licht en nog minder van een stukje ijzer dat het ‘hunkert’ naar de magneet.
Het ‘natuurlijke verlangen’ waarvan hier sprake is, kan dus niet zo maar beschouwd worden als een van de liefhebberijen die mensen in een bepaalde cultuur erop na kunnen houden en waaraan zij verslaafd kunnen raken. Wie nadenkt over de natuur van de mens, gesteld tegenover die van dieren en góden, zal bij zich zelf dit verlangen ontdekken en het vervolgens cultiveren Hij zal toegeven aan het onontkoombare verlangen verder te reiken dan het voor de hand liggende of vanzelfsprekende en hij zal dit markante en meest waakzame onderdeel van zijn cultuur bijvoorbeeld ‘filosofie’ noemen.
Het weten of kennen waarnaar wordt gereikt en waarop de intellectuele eros of passie is gericht, ligt hoger of verder dan wat mensen gegeven en door de traditie toegestaan is. ‘Weten’ is voor Aristoteies wezenlijk een overschrijding van grenzen: het is zelfs bij uitstek het gebied waarop door mensen grenzen overschreden kunnen worden. Op alle andere terreinen zijn ze aan drastische beperkingen gebonden en aan de góden onderworpen. Het weten geeft aan de mensen terug wat zij ten onrechte bij de góden hadden gedeponeerd.
In een van de fragmenten die nog over zijn van een geschrift waarin Aristoteles jongeren aanspoort de filosofie te beoefenen. wordt dit zeer expliciet gezegd: ‘Er is dus voor mensen niets goddelijks of zaligs voorhanden, behalve dat ene dat de moeite waard is, dat wat er aan geest en denken is ons is. Dat lijkt onder alles wat wij hebben, het enige te zijn wat onsterfelijk is en het enige wat goddelijk is.’ (Protrepticus. fr. 10 c Ross)
In de Ethica Nicomacheia wordt gezegd dat mensen zich door kennis voorzover dat mogelijk is, tot onsterfelijken maken en dus tot gelijken van de goden. (1077 b 33) De definitie van de mens als een wezen dat wil weten, heeft dan ook duidelijk een emancipatorische en seculariserende achtergrond.

6
Zegt Aristoteles nu meteen al in de eerste zin van de Metaphysica, dat dit verlangen naar weten het hoogste menselijke verlangen is? Hij zegt dat hier nog niet, maar hij zegt in de volgende zin wel dat mensen het zien, het kijken op zich zelf en zonder een praktisch doel, ‘boven al het andere verkiezen’. ‘Om zo te zeggen’, voegt hij er een beetje verontschuldigend aan toe, want het klinkt natuurlijk wel een beetje overdreven. Maar hij zegt hier dan ook niet, zoals in de voorafgaande zin, dat het kijken wordt verkozen boven alle andere ‘waarnemingen -dan zou hij niet de onzijdige vorm ‘pantoon’ gebruikt hebben- maar boven alles wat er verder te beleven valt. Mensen, zegt hij, zijn kijkers, toeschouwers, beschouwelijke wezens, en juist daarin lijken zij op de onsterfelijke góden. In de beschouwelijkheid ontworstelen zij zich aan hun slavernij.
7
Er wordt in deze compacte en veelbetekenende zin ook niet gezegd, dat alle mensen zo maar iets willen weten, de een dit en de ander dat. of dat ze met elke willekeurige vorm van weten genoegen nemen, maar dat zij als het ware met uitgestrekte armen reiken naar hét weten als naar de vervulling van een onweerstaanbaar verlangen. Dat bepalende lidwoord ‘het’ lijkt een vorm van weten te specificeren tot het weten bij uitstek.
Er zijn, wordt in het vervolg uitgelegd, allerlei vormen van weten. variërend van het signaleren van de aanwezigheid van iets en het onthouden tot de ervaring en algemene kennis op basis van oorzakelijk redeneren. Onder al die vormen van kennis is een hiërarchie van laag tot hoog, van een weten bij dieren tot een beschouwelijk weten dat door alle mensen wordt nagestreefd, en van een weten van het ‘dat’ tot een weten van het ‘wat’ en het ‘waarom’.
Over dit uiteindelijke weten schrijft Aristoteles in deze hoofdstukken en daarover gaat dus ook de stelling waarmee hij begint. Het is. bij alles wat het verder is. een weten dat om zich zelf wordt nagestreefd en dat in hoge mate ook een weten van het weten zelf is, een reflexie op het kennen zelf.
Er wordt in deze zin dan ook niet gezegd, waarvan dit nagestreefde weten precies weet heeft. Wat op iets gericht is, lijkt daaraan ondergeschikt te zijn; maar het weten waarop alle mensen gericht zijn, wordt niet om iets anders nagestreefd Het wordt voorgesteld als een autonoom geworden weten of een verheviging van het bewustzijn. Op andere plaatsen vergelijkt Aristoteles dit weten met een wakker zijn: ook daarbij wordt niet uitgelegd waarvoor we wakker zijn of wat ons wakker houdt: er wordt alleen van uit gegaan dat het in principe beter en begerenswaardiger is wakker te zijn dan niet wakker te zijn.
Aristoteles lijkt ervan te houden op deze manier een onbepaalde wijs te substantiveren met een lidwoord: hét weten. Een regel verder schrijft hij op dezelfde manier over onze voorkeur voor ‘het zien’, zonder een object te noemen, bijvoorbeeld iets wat mooi of boeiend is. ‘Het zien’ is de activiteit van kijken, naar wat dan ook; bij mensen gaat die gepaard met het bewustzijn dat zij iets zien en er alleen maar naar kijken zonder er per se iets mee te willen.
8
Onder alle woorden voor ‘kennen’ kiest Aristoteles op deze plaats juist het woord dat het meest populair is en dat met ‘zien’ te maken heeft. -Eidénai’, ‘weten’ is etymologisch ‘gezien hebben’. De keuze van dit woord loopt dus al vooruit op de verheerlijking van het zien die op haar beurt weer aankondigt dat de ‘wijsheid’ omwille van zich zelf wordt nagestreefd en dat zij beschouwelijk van aard is, niet praktisch.
Hij gebruikt hiervoor verderop het woord ‘sophia’, dat gewoonlijk met ‘wijsheid’ wordt vertaald. Omdat hij daarmee bedoelt ‘een kennis van oorzaken’, zou een vertaling als ‘inzicht’ beter passen. ‘Wijsheid’ is voor ons, zoals ‘deugd’, een van de woorden die een beetje duf gepreekt zijn. Die ‘wijsheid’ is niet bepaald een voorwerp van hevige begeerte, eerder van een zekere meewarige afschuw.
Op andere plaatsen noemt Aristoteles dit geboeid kijken ‘skèpsis’ of ‘theooria’. Bij latere filosofen en bij critici van de beschouwelijke filosofie heeft het eerste woord de bijbetekenis gekregen van ‘alleen maar kijken en niet tot een beslissing komen’. En ‘theooria’, ook een woord voor kijken, namelijk ‘kijken naar schouwspelen’, heeft, voordat het de moderne betekenis van ‘reeks van samenhangende hypothesen’ kreeg, eeuwen lang gestaan voor een beschouwelijke manier van denken en leven.
Deze woorden lijkt Aristoteles hier te vermijden om niet meteen zijn eerste zin al te beladen met filosofische termen. Maar het is wel duidelijk dat hij over filosofie spreekt, dat hij daar zelf midden in zit en met zijn woorden bepaalde filosofische bedoelingen heeft. Die bedoelingen zijn ook retorisch van aard en zij bepalen de woordkeus in deze beslissende openingszin. We zien dat pas als we eerst verder hebben gelezen en ons oog is gevallen op de parallellie van ‘het weten’ en ‘het kijken’ of, om het wat aan te dikken, van ‘het inzien’ en ‘het zien.’
9
Zo’n kleine ontdekking scherpt de blik voor andere kleinigheden. Het gaat nu ook opvallen, dat Aristoteles in deze beginpassage niet alleen het woord ‘sophia’ voor de kennis die ‘wijsheid’ of inzicht is, vermijdt en het meest gewone woord voor ‘weten’ kiest, maar dat ook geen van de vier woorden voor ‘houden van’, ‘streven’, ‘verkiezen’ en ‘verlangen’ de stam bevat die verderop in dit hoofdstuk en al eerder in de geschiedenis van de wijsbegeerte met ’sophia’ verbonden wordt tot ’philo-sophia’. Dat woord voert hij pas in wanneer het voor de omschrijving van ‘sophia’ voldoende geïntroduceerd is en onontkoombaar geworden Dat geeft er dan meteen ook het juiste gewicht aan Als we nu vanuit een kennis van het latere weer even teruggaan naar het begin, iets waarvoor een begin ook bedoeld is, lezen we daar dat, omdat alle mensen naar het ware v/eten streven of inzicht begeren, alle mensen dus van nature wijsgeren of filosofen zijn. Dat is impliciet de inhoud van de stelling waarmee Aristoteles zijn tractaat over de eerste filosofie begint.
Als hij dus in het vervolg de ‘wij-vorm’ gebruikt, is de toehoorder of lezer al ingesponnen en kan hij niet meer terug. Want dat ‘wij’ in ‘wij verkiezen’ slaat niet alleen op de auteur en zijn schooi of het klasje dat naar hem luister, maar op iedereen die er aanspraak op maakt een mens te zijn en die zijn natuur niet wil verloochenen. Wijsgeren, zegt hij dus ook, zijn geen uitzonderlijke of afwijkende mensen, maar normale en zelfs exemplarische vertegenwoordigers van de menselijke soort.
10
Zo gelezen past deze eerste zin helemaal in een wijsgerig en retorisch genre dat ook Plato intens beoefende en dat een belangrijk deel van zijn filosofisch wek vormt, een lof van de filosofie of een aansporing tot filosoferen Uit zo’n aansporing of protreptiek. geschreven door Aristoteles, heb ik zojuist al geciteerd. Daar zegt hij o.a. ook: ‘Als het zien bij ons inderdaad favoriet is om zich zelf, is dat een afdoende getuigenis voor het feit, dat alle mensen uitermate gesteld zijn op het denken en kennen.’ (Protr. fr. 7 Ross)
Er lijkt dus op zijn minst een vrij nauwe verwantschap te zijn tussen de sterk retorische aansporing tot filosoferen en het eerste tractaat van de Metaphysica. En dat kan dan weer verklaren, waarom dit eerste hoofdstuk van de Metaphysica zo geraffineerd in elkaar gezet is. Aristoteles wil zieltjes winnen en reclame maken. En als het om filosofie gaat, kan niemand daar niets tegen hebben.
Filosofie onderscheidt zich, zoals ik al zei, vanaf haar begin ook hierdoor van wijsheid of diep nadenken, dat zij zich zelf in haar nadenken betrekt en nadenkt over haar eigen status en pretenties binnen de cultuur waarin zij zich ontwikkelt. Dat betekent niet alleen dat zij altijd een kritiek inhoudt op een voorafgaande manier van denken -Aristoteles bekritiseerde zijn voorganger Plato, die op zijn beurt de vroegere dichters en mythologen bekritiseerde- maar ook dat zij zelf nooit helemaal tot iets vanzelfsprekends kan worden. Haar plaats in de cultuur wordt altijd betwist, omdat zij nooit gewillig en volgzaam kan aansluiten bij traditie, maatschappelijke stromingen en heersende opvattingen.
Filosofie is altijd weerbarstig. Zij moet dan ook altijd verdedigd worden, bijvoorbeeld tegenover de populaire neiging om in dogma’s te geloven of om alle denken in dienst te stellen van het nut en het daardoor aan banden te leggen. Ook tegen die neiging verzet Aristoteles zich zowel in zijn propagandistische geschrift als in het eerste boek van de Metaphysica. Ik weersta manmoedig de verleiding nog meer te citeren.
Nog een enkel woord tenslotte bij wijze van samenvatting. De op het eerste oog eenvoudige zin waarmee Aristoteles dit tractaat opent, blijkt gelezen te kunnen worden als een retorische zet in een debat over het belang van de filosofie. Als inzicht een voorwerp van begeren is, is de intellectuele passie die wij filosofie of wijsbegeerte noemen, ook niet de bleke en emotieloze aangelegenheid waarvoor zij door buitenstaanders dikwijls wordt aangezien. Zij is integendeel de enige intellectuele houding die van meet af aan voor haar oorsprong in de emotie en in de begeerte uitkomt. En als alle mensen filosofen zijn, zoals Aristoteles zegt, zijn filosofen geen wereldvreemde buitenbeentjes, en als mensen van nature filosofen zijn, is filosofie niet een afwijkende subcultuur, maar mankeert er zelfs iets aan degenen die niet op een of andere manier filosoof zijn. De filosoof Aristoteles gaat dus al in zijn eerste zin zijn boekje te buiten. Het is, hoop ik, niemand ontgaan dat ik hem daarin met enig genoegen heb gevolgd.
https://www.cornelisverhoeven.com/nl/read/3093-image?view=scans
