Verveling

Cornelis Verhoeven, Het grote gebeuren, Utrecht 1966, (Ambo)
Aantekeningen over verveling
pag. 174-186

AANTEKENINGEN OVER VERVELING

1 Schrijven over verveling

Schrijven vanuit de verveling is mogelijk, tot op zekere hoogte. Ik laat mijn pen cirkelen boven een uitnodigend stuk papier, even leeg als ik zelf ben, ik bedenk wat ik nu eens zou kunnen schrijven, vind met moeite iets anders dan het eeuwige gezeur van een naam, schrijf dat een paar keer op, versier het met een paar lijntjes om het papier te vullen en zak weer terug in de lamme verveling. Er ontstaat niets; het schrijven blijft opschrijven. Eigenlijk wil ik schrijvend ook niets prijsgeven, of het zou alles moeten zijn, alles ineens, massief en toch ondoorgrondelijk. Er zou pas iets ontstaan, als pen, inkt en papier plotseling gingen meespelen en mij met geweld van mijn radeloosheid verlosten. Maar dan zou onmiddellijk de verveling geweken zijn. Ik kan beginnen uit verveling, niet doorgaan, want zolang ik me verveel is het allemaal de moeite van het opschrijven niet waard.
Maar hoe ontstaan dan die prachtige beschrijvingen van de verveling zoals bv. in De Avonden van Van het Reve? Zij lijken rechtstreeks vanuit de verveling geschreven te zijn, een directe mededeling ervan. Maar dat is onmogelijk; zij zijn zo knap, omdat ze lijken uit de verveling geschreven te zijn. In werkelijkheid zijn het werkstukken over de verveling, met noeste vlijt gemaakt als de verveling voorbij is. Schrijven over de verveling is schrijven vanuit een herinnering en een interpretatie. Wie zich nooit verveeld heeft of nooit intens de verveling waargenomen heeft, kan niet over de verveling schrijven. Een actieveling die in kaartsysteem en bibliotheek rondspringt om daar het wezen der verveling uit te persen, terwijl het verschijnsel hem vreemd is, brengt er niets van terecht. Hoogstens kan hij min of meer welsprekend zijn afkeer van het verschijnsel demonstreren. Voor de actieve mens is er nauwelijks iets walgelijkers te bedenken dan de verveling, de chagrijnige lediggang van mensen die hun door God gegeven leven niet weten te vullen, die maar niet beseffen hoe kortstondig het bestaan is etc.


II Niets te doen

Gewoonlijk wordt verveling in negatief verband gebracht met activiteit. Wie niet weet wat hij moet doen, maar toch meent iets te moeten doen, verveelt zich, maar wie tien dingen tegelijk nog moet doen en maar geen keus kan maken verveelt zich ook. Verveling is de onmogelijkheid of liever het onvermogen tussen verschillende activiteiten te kiezen, verbonden met het gevoel dat men eigenlijk verplicht is iets te doen. Wie zich niet gedrongen voelt iets te doen of zich bij activiteiten te laten betrekken, verveelt zich niet. De verveling heeft haar plaats in een cultuur van hyper-activiteit en panische bedrijvigheid. Wie even het haastige ritme van die cultuur, waarin voor lediggang zo weinig plaats is, kwijt raakt, wordt vanuit die cultuur met verveling bedreigd. En diezelfde cultuur leert hem ook dat verveling een groot kwaad is; vanuit een activiteitsideologie is zij zelfs het grootste kwaad, niet alleen om de ‘kostbare’ tijd, die zij nu eenmaal opeist, maar vooral omdat zij die cultuur bedreigt. Verveling is ook: onbehagen in een cultuur. Er moet dus iets aan gedaan worden. Welnu, dat gebeurt ook: er is van alles te doen, niet alleen in die zin dat er van alles gedaan moet worden, maar ook in de betekenis van: er wordt van alles georganiseerd om de verveling in de kiem te smoren. Als er niets te doen was, zouden we ons vervelen. En het moet zo georganiseerd worden, dat het als een machtige hefboom ons uittilt boven onszelf en ons onvermogen om te kiezen, het moet zo ongewoon zijn, zo opwindend, dat de eigen keus uitgeschakeld wordt.
Maar het ongewone is weer zo gauw gewoon; er is principieel geen grens aan het menselijk vermogen het ongewone gewoon te vinden. Dat zou een oneindige variatie van gezelligheden mogelijk maken, ware het niet dat de mens na enig experimenteren het opgaf nog iets ongewoon te vinden en geblaseerd werd. Geblaseerd is de mens voor wie het ongewone niet meer bestaat en die zich daarom verveelt. Vanuit de actieve verveling, een verveling met resten van activiteit uit een activiteitscultuur, gaan we op zoek naar het vermaak en het amusement. Het amusement is dat wat ondernomen wordt om de verveling van actieve mensen te bestrijden en hen van die last te verlossen. Men kan een keus doen uit door anderen samengestelde programma’s. Maar in al die programma’s is de verveling dat wat gegeven is en het vermaak dat wat gezocht wordt. Daarom is de verveling nergens zo duidelijk en navrant waar te nemen als op plaatsen waar het amusement uitdrukkelijk gezocht wordt. Want men wenst geamuseerd te worden en zet zich schrap om zijn portie op te eisen; de teleurstelling en de verveling staan klaar om toe te slaan. Toch blijft ondanks de teleurstelling hardnekkig de mythe bestaan dat ergens iets te doen is, wel niet hier in deze saaie stad, en dáár valt het ook tegen, maar ver weg, daar moet het zijn; daar word je zo maar opgenomen in een kader van plezierigheid. Of ook: je moet de adresjes weten. Die mythe maakt de mens mobiel en onrustig. Ergens is een plaats waar de verveling uitgesloten is, waar anderen de initiatieven nemen om de bezoeker zelfs de bekoring tot verveling te besparen. Want hoewel de moralisten zeggen dat het beste middel tegen de bekoring is de verveling te vluchten, het leven leert even vrolijk, dat het beste middel tegen de verveling is de bekoring te zoeken. En zo ontstaat een run op de verleiding die toch amusement is, tot niets verplicht dan tot amusement en dus teleurstelt. Wat overblijft is dan niet meer het vermaak of zelfs maar de kans op amusement, maar de run zelf en de mobiliteit. De mobiliteit zelf is het vermaak en de vlucht voor verveling. Er is nergens iets te doen behalve op de wegen naar de plaatsen waar niets te
doen is. Voor de actieve mens is de vrijheid vrije tijd en vrije tijd mobiliteit; het is de wijze van actief zijn, waarin hij zich het minst verveelt, omdat hij daarin tegelijk actief is en op weg.


III Verveling en duur

De mens verveelt zich in het geconstitueerde, zegt Merleau-Ponty en Pascal had al eerder iets dergelijks bedoeld toen hij zei: ‘L’éloquence continue ennuie. Volgehouden perfectie maakt agressief. De strak gespannen duur zelfs van de mobiliteit verveelt. De onafzienbare gelijkvormigheid van een duur is vervelend, wekt een bepaald soort verveling, verwant met een agressieve haast, die alleen gemotiveerd wordt door de mogelijkheid van een nog grotere snelheid. Een lange, eentonige reis, zelfs een snelle rit op de Autobahn, een eindeloos en oninteressant gesprek, dat alle ruimte laat om aan iets anders te denken, maar geen enkele ruimte om iets anders te ondernemen, wekt ‘Langweile’. Het duurt te lang om nog voedsel te geven aan de motieven het te kiezen en er is geen mogelijkheid een stuk over te slaan of iets anders te kiezen. Men is de gevangene van een knellende, tergende duur. Het geconstitueerde is het blijvende, durende. We zitten er voorgoed mee en dat wekt in ons de illusie van een vruchtbare, scheppende vrijheid of een drang te eclipseren in het onbewuste, de slaap of het flauwvallen. Nooit is de neiging om weg te lopen, flauw te vallen of een geweldige onderneming op touw te zetten bij mij groter geweest dan wanneer ik op een zomerse zondagmorgen moest luisteren naar de eindeloze alleluia’s van een zwetend en hijgend koor. Ik zocht naar een rulle plek in die strakke duur om er doorheen te zakken, doet er niet toe waarin. Het was een soort anti-verveling, een radeloze dadendrang, een claustrofobie van de tijd, die de verveling tot een zo tegenstrijdig kluwen van gevoelens maakt. Want op een of andere manier hoort dit verzet tegen de verveling tot de essentie van het verschijnsel, zoals wij het kennen. Verveling is een verlamde, uitgeholde haast, een haast zonder doel, agressie tegen de duur. De duur roept de verveling op. Zelfs het schouwspel van een noeste, langzame en blinde ijver roept soms een oneindige verveling op als een daad van rechtvaardigheid, een antithetisch supplement, dat gewoon noodzakelijk is. Bij zoveel duur hoort zoveel verveling en de gedachte dat de werker zich daar niet van bewust wordt, is onverdraaglijk. Dan desnoods maar een ‘plaatsvervangende’ verveling.
In de langzaamheid wordt de duur een aanslag op de tijd als een beschikbaar geheel. Tijd en duur verhouden zich als vrijheid en keus; de keus beperkt de vrijheid, de duur de tijd. Ook hier is de verveling een onmogelijkheid om te kiezen.


IV Verveling en vrijheid

Waarom verkies ik de mobiliteit, desnoods geheel los van elke weg, als gesubstantiveerde haast, als middel tegen de verveling? Kennelijk omdat ik de verveling zelf niet verkies en haar vanuit het gegeven cultuurpatroon wil bestrijden. De verveling is niet een toestand waarin actieve mensen lang willen blijven steken. Zij is een onprettige overgangsfase, een crisis, waar we zo gauw mogelijk uit willen komen. Zij ligt op een breukvlak, een ‘Nahtstelle’ zegt Strasser, tussen twee fasen van het beleven. Tussen begin en einde van een lange tocht, de opwinding van het vertrek en de opwinding van de aankomst, tussen het avondeten en een nog niet gekozen bestemming voor de verdere avond slaat zij toe. Schopenhauer spreekt van een verveling ‘die immer bereit ist, jede Pause zu füllen, welche die Sorge läszt. Zij is er plotseling; zij kiest mij, omdat ik niet kies. Zij nestelt zich in de leegte tussen twee keuzen in. Verveling ontstaat, wanneer de keuze uitgesteld of geweigerd wordt en de totale vrijheid bloot komt te liggen. De keuze beperkt de vrijheid, schuift haar naar de achtergrond en daarmee voorlopig ook de verveling. Verveling is de totale presentie van de vrijheid, niet door een keuze ingedamd. Wie zich nooit verveelt, is niet vrij, en wie met alle middelen de verveling bestrijdt, bestrijdt de vrijheid. De verveling bestrijden is de mens zijn autonomie betwisten; het is eerder kapitalistisch en uitbuitend dan dat het een sociale daad is.
De mens bezig houden is over hem bazen, het patroon van zijn denken en leven opzettelijk beïnvloeden, omdat men het hem eigenlijk niet helemaal toevertrouwt. Prijsgegeven aan zichzelf zal die mens zich gaan vervelen en uit verveling rebels en onhandelbaar worden. Verveling wordt bestreden uit heerszucht, en misschien ook uit moralistische overwegingen — als dat iets anders is. Zo ben ik er helemaal niet zeker van, dat niet een groot stuk jeugd’beweging’ letterlijk alleen tot doel had (heeft) de jeugd in geleide ‘beweging’ te houden, om te voorkomen dat ze uit verveling, om toch aan het bestaan een zekere hevigheid te geven, tot ‘kattekwaad’ — wat is dat eigenlijk? — en ‘vies doen’ zou vervallen.
Want de verveling is als het ware de negatieve fase van de vrijheid. En vrijheid is iets anders dan beschikking over vrije tijd. Verveling is oneindig veel meer dan het verlegen zijn om een bezigheid, die een stuk vrije tijd kan opvullen, meer zelfs dan een moeilijkheid bij het kiezen tussen verschillende mogelijkheden. Het is eerder een verlegenheid met de mogelijkheden als zodanig, en het is een van de weinige gelegenheden, waarbij deze mogelijkheden zich als zodanig voordoen. Het strakke vervullen van een hem opgelegde taak geeft de mens geen inzicht in de oneindigheid van mogelijkheden, die zijn vrijheid is, de moeilijkheid om te kiezen uit twee, drie of honderd mogelijkheden al evenmin. Als het woord ‘verveling’ etymologisch iets met ‘veel’ te maken heeft (‘multitudine obruere’, zegt Kilian), kan daarin die veelheid van mogelijkheden bedoeld zijn, maar ik geloof dat het hier gaat om iets fundamentelers dan een veelheid. Veelheid is een te optimistisch, te gezellig woord voor de volstrekte diaspora, waarin de vrijheid de mens plaatst en waaruit zelfs de meest razende mobiliteit hem niet kan redden. Verveling is de ervaring van mogelijkheden als onmogelijkheden, mogelijkheden die zich zelf vernietigen in hun vervulling of mogelijkheden die zo oneindig zijn, dat ze niet te vervullen zijn en daarom als leeg ervaren worden. Verveling is de geslotenheid van de openheid, een perspectief in de leegte. Het is een radeloosheid tegen de paradox van de menselijke mogelijkheden, een ervaren van de lege vrijheid als zodanig. De
leegte van deze vrijheid is besmettelijk; zij legt zich aan de dingen op.
Wie nu probeert de mens voor verveling te behoeden, ontneemt hem zijn vrijheid en een kans op authentiek menselijk bestaan. De verveling moet geriskeerd worden. Het is de fout van sociale hervormers en organisatoren, dat zij in dit opzicht te weinig risico’s durven te nemen. De mensen bezig houden is hen tot slaaf maken. Als in het georganiseerde of commerciële vermaak de mens zich niet van zijn vrijheid en zijn recht op verveling bewust mag worden, is het geen vermaak, maar een verandering van werk of een vlucht in een valse afhankelijkheid. Men kan dus ook zeggen dat de mens een strikt recht heeft op verveling, omdat hij een strikt recht heeft op zijn vrijheid, op zich zelf. En als hij daar recht op heeft, moet hem de confrontatie met de verveling ook gegund worden. Het pleit dan ook niet voor onze cultuur dat er zoveel gedaan wordt om de verveling te bestrijden en dat verveling zo gauw leidt tot baldadigheid en onbehagen in die cultuur. Verveling wordt terecht gevreesd als een aanslag op de activiteits-ideologie. Die cultuur is te actief, te praktisch en biedt te weinig ruimte voor contemplatie. Daarom spreekt Josef Pieper van een dodelijke leegte en verveling, die het terrein van het alleen-maar- praktische als een maanlandschap omgeven.


V Verveling als onthulling

Of die verveling nu direct dodelijk is, waag ik te betwijfelen. De panische drang elke leegte onmiddellijk te vullen, hetzij met activiteit, hetzij met contemplatie zou kunnen voortkomen uit een niet aanvaarden van wat een fundamenteel gegeven is. Wie de verveling wil riskeren en haar desnoods maar als een crisis van de vrijheid wil aanvaarden, moet er niet eigenwijs overheen proberen te kijken. Zelfs als de verveling uiteindelijk iets is, wat bestreden of vermeden moet worden, moet zij eerst tot het einde toe geduld worden. Een panische, tegen de verveling gerichte activiteit, een onduldzame en ongeduldige bestrijding ervan maakt haar niet alleen als
crisis virulenter, maar belet haar zich in haar ware gedaante, vijandig of vriendelijk, dodelijk of levenwekkend te openbaren. Zij houdt, verondersteld dan dat de verveling inderdaad te ontvluchten zou zijn, een onmisbaar stuk zelfkennis tegen. De leegte van de verveling kan ons de grond of de afgrond van het bestaan onthullen. Die grond kan vele namen hebben en verveling kan er een van zijn. De leegte onthult ons bestaan en meer nog: ‘Diese Langweile offenbart das Seiende im Ganzen’, zegt Heidegger. De leegte zelf heeft een contemplatieve betekenis; contemplatie is eerder ontledigend dan vullend, of liever: zij veronderstelt de leegte. Contemplatie is afwachtend schouwen in een gezuiverde en lege ruimte. En de panische mobiliteit van de mens op weg naar de plaats, waar (n)iets te doen is, op de vlucht voor zijn verveling, onthult de leegte. Mobiliteit is vrijheid, leegte. Hoe mobieler de mobiliteit is, hoe minder zij aan een doel gebonden is en hoe meer zij doel in zich zelf wordt, des te meer vallen andere doelen weg. In plaats van een armoede door gebrek aan middelen, die tot een incidentele verveling leidde, komt er een armoede door gebrek aan doelen, die tot de grote, onthullende oerverveling leidt. De snelle wegen, die leiden naar plaatsen waar (n)iets te doen is, schrompelen in tot absurde bewegingen en in die absurdheid onthult de beweging zelf haar panische karakter. Er ontstaat een bewegingloze paniek op de plaats zelf, die de vlucht in de activiteit verlamt.
Lucretius beschrijft prachtig dit proces aan het voorbeeld van een man, die naar buiten loopt, omdat hij zich in huis door en door verveelt, en dan weer naar binnen drentelt, omdat hij merkt, dat het buiten niets beter is. Op deze manier probeert ieder zichzelf te ontvluchten. Hoc se quisque modo fugit.’ De verveling, de vlucht daarvoor en de onmogelijkheid van de vlucht vormen een spiraal die tot diep in het bestaan boort en de leegte daarvan onthult, niet de leegte die gevuld moet worden, maar die aanvaard moet worden als bestaansgrond, bestaansafgrond. “Zij is het subjectieve correlaat van het niets, dat de inslag van het bestaan vormt; haar oneindigheid is die van de duizeling, die door de blik in de oneindige diepte van een afgrond opgeroepen wordt’ (Kierkegaard)
Leegte verhoudt zich tot vrijheid zoals ledigheid tot vrije tijd: in de leegte is de totale vrijheid present, zoals in de ledigheid de totale vrije tijd present is. De vrije tijd is maar een teken van de vrijheid, zoals de ledigheid een teken van de leegte is. Wanneer men dit teken van zijn verwijzende functie berooft, wordt het onthullende karakter van de verveling gefrustreerd. Dit gebeurt vanuit een hyper-actieve instelling. De actieveling die alle verveling vlucht, trekt zich terug in een uithoek van zijn bestaan, waar de totaliteit van zijn bestaan niet ter sprake komt. Wanneer de verveling hem daar toch overvalt, krijgt ze meteen het karakter van een walging of een agressiviteit tegen de bestaande orde, in de massiviteit waarvan zij zich niet meer veilig voelt. Het Grote Onbehagen, de Oerverveling, waarvoor de organisatoren van het leven in de grot, de aanzwengelaars van de bedrijvige middelmaat en de ideologische gladstrijkers zo beducht zijn, slaat verwoestend toe en drijft de mens naar buiten, waar hij in de heldere leegte dreigt te verdampen.
Maar dan nog is niet de verveling zelf het metafysische kwaad, waarover Gabriël Marcel spreekt, maar de onmacht van de actieve mens, die niet geleerd heeft zijn ziel in lijdzaamheid te bezitten, of zelfs ze weg te geven aan de diaspora, waarin hij leeft. Niet de verveling, maar het verzet ertegen, de ontkenning ervan zijn het kwaad waaraan wij lijden. En dat lijden op zijn beurt wordt gekwadrateerd door het verzet ertegen.


Gieveld 40×36 cm 2026

VI Verveling, spel, creativiteit

Hoe positief wij de verveling ook waarderen, wij kunnen haar vanuit onze cultuur — en elk ander gezichtspunt ontbreekt ons —niet zien als de gewone toestand. Zij blijft in onze ogen een overgangsfase. Nietzsche noemt haar de windstilte van de ziel, die aan de gelukkige vaart voorafgaat. Men moet ze kunnen verdragen, haar uitwerking afwachten. ‘Langweile auf jede Weise von sich scheuchen ist gemein wie arbeiten ohne Lust gemein ist.’ Men ontkomt er dus bijna niet aan optimistisch over de verveling heen te zien en haar een zin te geven vanuit datgene, wat na haar volgt en met haar in verband ge-
bracht wordt. Wij zouden dan kunnen zeggen dat de verveling ons plaatst in het centrum van ons bestaan, van waaruit ons hele bestaan, dus ook onze activiteit gevoed wordt. Zij heeft een onvervangbare functie in de menselijke creativiteit, minstens in die zin, dat iemand die de verveling niet wil riskeren, niet tot werkelijke creativiteit komt. Zij is het niets, de leegte, waaruit geschapen wordt. De creativiteit zelf voert tot aan de grenzen van de verveling: zij is een destructie van al het andere. Goethe begroet de verveling als de moeder van de Muzen. Wij zouden de creativiteit, die uit de verveling voortkomt – een andere creativiteit dus dan die, welke alleen maar tot haar grenzen gaat – spel kunnen noemen. Er is een bijzondere relatie tussen spel en vrijheid, spel en verveling. Wie verpletterd ligt onder zijn activiteit, kan niet spelen, zich niet vervelen en is niet vrij. In een feodaal bestel is de verveling dan ook het privilege van de hogere standen, ‘die beständge Geissel der Vornehmen’. (Schopenhauer). God verveelt zich het meest en uit verveling schept hij de wereld, zoals Adam op zijn beurt uit verveling Eva schept. In het begin was de verveling en zij nam toe in dezelfde verhouding als het aantal mensen. ‘Adam verveelde zich alleen, later verveelden Adam en Eva zich met zijn tweeën; daarop verveelden Adam, Eva, Kaïn en Abel zich en famille; later groeide de menigte van mensen op aarde en zij verveelden zich en masse’ (Kierkegaard)
Het creatieve spel wordt vanuit de verveling gevoed. Geen creatie maakt aan die verveling een eind en het spel gaat ook nooit zo ver in ernst, dat het tot een definitieve keuze komt. De ernstige, toegewijde keuze maakt aan de verveling een eind. Maar het spel verplicht tot niets, zoals ook de contemplatie tot niets verplicht. Het spel steekt de dingen, die het in zijn mobiliteit betrekt, met zijn eigen vrijheid aan en ontneemt daaraan zelfs hun identiteit, hun gebondenheid aan zichzelf. Het neemt terug wat het poneert. Als de god van de verbeelding uit verveling de wereld en de mensen schept, verplicht hij hen tot niets, maar geeft ze ook geen enkel recht; hij kan elk ogenblik alles terugnemen in de leegte van zijn vrijheid.
Maar deze voorstelling van een spelende god is tegenstrijdig, omdat zij ongelovig is en ook god niet au sérieux neemt. Het verband tussen verveling, spel en creativiteit is veel minder mythisch. Weliswaar is de verveling meer dan een aanleiding tot creativiteit, maar het feit blijft bestaan dat gaandeweg de creatieve en speelse bezigheid de verveling wijkt. Of verandert zij van karakter, slaat zij om in een positieve verbondenheid met het afgrondelijke centrum van het bestaan? Of krimpt zij in tot een geboeid zijn door het ene ding dat de aandacht krijgt? Zeker is dat de creatieve mens de verveling niet uit zijn leven kan of wil weren, dat zij daar iets anders is dan wat vanaf de Griekse oudheid als scholè en otium zo positief gewaardeerd is en dat zij ook iets geheel anders is als een simpel gemis aan ‘seelische Kraft zur Musze’, waarvoor Pieper haar houdt. Een moralistische beoordeling loopt gemakkelijk het risico de dupe te worden van een al te creatieve instelling en van een optimistisch geloof in de massieve zinvolheid van het bestaan. De verveling onthult een stuk absurditeit, die niet voortijdig ontkend of voorbij gedacht mag worden. Haar kan, ook als bron van inspiratie, een negatief karakter moeilijk ontzegd worden. De creativiteit, die door haar geïnspireerd en gevoed wordt, behoudt haar vrijblijvend, ludiek karakter. Wachtend op de grote gebeurtenis, die als een felle rukwind iets boeiends en bindends in de leegte van ons bestaan zal brengen, waarvoor wij bereid zijn onze vrijheid te vergeten, verduren wij spelend de windstilte die de zeilen verlamt, maar de horizon open laat. Het spel is de wijze van kiezen, waardoor de vrijheid niet vernietigd, maar in haar totaliteit gereserveerd wordt. Een kunstwerk, voortgekomen uit een zich tot speelsheid verdichtende oerverveling, stemt eerder tot melancholie dan dat het een ‘joy for ever’ is. Het roept zelf de afgrond op, waaruit het voortgekomen is.
En als de wereld de schepping is van een zich vervelende, speelse god, dan roept ook dat kunstwerk in ons een eindeloze, abyssale melancholie op, waaraan wij evenwel niet hoeven te bezwijken, omdat ook zij zelf, betrokken in het mobiele spel van de verveling, haar eigen identiteit verliest en evengoed een eindeloze vreugde is om zoveel voedsel voor het schouwend oog. Wie zich verveelt, vergist zich; wie zich niet verveelt, vergist zich ook. Maar evenmin als we door onze illusies in leven blijven, sterven we aan onze vergissingen. En omgekeerd. Et cetera.

Cornelis Verhoeven, Het grote gebeuren, Utrecht 1966, (Ambo)
Aantekeningen over verveling
pag. 174-186


Dank je wel voor je reactie - Thanks a lot for reacting