3.5 De tijd in de poëzie: de boot…
De tijd is een boot, de historie is een boot, de cultuur is een boot….
JH
Die Sprache bildet ein und denkt sich aus
Sprache – Gehalt des Seins
und Halt des Seienden.
Was mir die Sprache nicht zeigt,
wird mir Gott kaum offenbaren.
Die Sprache stellt den nicht abreissbaren
Zusammenhang her
zwischen Sein und Werden.
In der Sprache liegt geborgen
das helle Einst,
die Nacht von morgen.
Alles Leben heisst Sprache;
die Existenz ist stumm,
sie heisst Tod1
Elazar Benyoëts, Fraglicht

“Hij was een fervente chassid, aanhanger van de rabbi van Wisnitz, die in het lied een strijdwapen zag. Op een dag nam de grijsaard zijn kleinzoon apart en hield een betoog tegen hem dat bedoeld was om zijn innerlijk leven te ontwikkelen.
‘Ik wil dat later, als ik niet meer op deze aarde ben, jij je mij nog herinnert en het vuur dat mij bezielt. Ik ben boer en daarom ken ik de waarde en het nut van een zacht, mild regentje, zij laat immers de planten en het koren groeien. Maar de ziel lijkt helemaal niet op bouwland; een ziel heeft onweer nodig, storm, vuur, gevaar. Het lichaam heeft de tijd, dat ontwikkelt zich langzaam, stap voor stap, dat lichaam is onderworpen aan de wetten van de zwaartekracht. Maar de ziel ontkent de tijd en trapt alle wetten omver; die wil hard lopen, vooruit stormen, en hoe meer pijn dat doet, hoe meer dat een roes uitlokt, kijk maar naar de krankzinnigheid. Op die manier alleen verheft de ziel zich tot God. Op jouw weg zul je mensen ontmoeten die zich vastklampen aan de rede, aan het verstand. Maar dat verstand tast, met behulp van de witte wandelstok van een blinde, de weg af, het stoot zich aan iedere steen, en wanneer het voor een muur komt te staan, blijft het staan en gaat dan proberen die muur steen voor steen te slechten; maar daar slaagt het nooit in doordat een onzichtbare hand die hoger en zwaarder weer opbouwt. Nee, mijn kind, wij geloven aan de kracht van het geloof, de extase; ons houdt geen enkele muur tegen, met onze vuisten, met onze zangen gaan we erop los, één slag, en met een oorverdovend geraas ruimen wij hem op; poorten boezemen ons geen angst in. Want om God te zien doen anderen hun ogen wijd open, wij daarentegen sluiten die. Toch zijn het de anderen die de duisternis binnenhalen en niet wij; wij geven daar niets om. Dan volgt de duisternis ons, inplaats van ons voor te gaan. Het vonkje dat leeft in de blik van een Tsadiek is een veel betere gids dan alle theorieën en geleerdheid die zijn uitgevonden door de mensen, de slachtoffers en scheppers van hun eigen trots.”2
Das göttliche Licht
steht im Schatten der Worte
“Sechsunddreissigmal kommt das Wort ‘Licht’ in den fünf Büchern Mosis vor, und sechsunddreissigmal ist die Zahl der Gerechten, die in jeder Generation leben. Sechsunddreissig Kerzen, wie es auch im fernen Tibet Brauch ist. Sechsunddreissig Teile hat der Talmud, und ebenso viele Stunden leuchtete dem Adam das mystische Licht des Anfangs, ehe es Gott von den Sündern verhüllte und der kommenden Welt vorenthielt.”3
Elazar Benyoëts

De Tsadiek is een mens die gegrepen is door God en die zich door niets hiervan af laat brengen. Dat is een wonder. Zijn leven en zijn ziel zijn een en al God toegewijd. Het is een vorm van geleefde mystiek, alles opgeven voor die ene parel, dat ene kostbare kleinood: de relatie met God. Dat voert deze ‘heilige’ op andere wegen dan de wereldse. De wereldse route, de gang van zaken in de wereld van het geld, de economie, de politiek, kan hem als het ware gestolen worden want in die wereld is God niet zo zichtbaar en komt Hij ook niet aan het licht. Het is de wereld waar ook het kwaad zijn wortels heeft en waar het kan woekeren omdat de mensen de ‘mammon’ aanbidden.
In de roman van André Schwartz-Bart, ‘Der Letzte der Gerechten’, zijn het de onzichtbare rechtvaardigen in de wereld die voorkomen dat God deze wereld vernietigt. Ze zijn als een mens die aan God vraagt om de wereld te sparen, zoals Abraham dat deed ten behoeve van Lot en de stad Sodom. Door hun rechtvaardig gedrag vervullen zij Gods gebod en zij hebben zelf soms niet in de gaten dat dit de redding betekent voor de wereld. De roman eindigt, hoe kan het ook anders, in de Tweede Wereldoorlog. De laatste woorden van dit boek zijn een soort van geloofsbelijdenis in een volslagen open en controversiële vorm (misschien zelfs een gotspe voor velen): God is overal, God zij geloofd, overal en altijd. En de werkelijkheid – een andere naam voor God – lijdt mee met de mens. Daarom is het niet goed in je eentje te lijden zonder relatie (ook niet zonder God), het verdriet te omarmen als jouw bezit. Dan maakt het je kapot en dan ga je eraan onderdoor. Elie Wiesel schrijft in de roman ‘De poorten van het woud’: “Het is onmenselijk je te willen opsluiten in je verdriet, in je herinneringen als een gevangenis zonder deur en zonder lucht. Leed moet ons openbreken voor anderen en niet daar een vreemde van maken. De Talmud zegt dat God met de mens meelijdt. Waarom? Om de mens beter te begrijpen en de mens hem beter te laten begrijpen, daarom kiest God het leed. Als je alleen wil lijden, als je daarvoor kiest, betekent dat, dat dat leed je beperkt en verkleint, het staat heel dicht bij wreedheid.”5
Im Glauben kann man nicht Fuss fassen. Alle Sicherheit schwankt im Glauben, nicht woanders: das ist seine Festigkeit. Das Festland aus Sand und nur dem Ertrinkenden erscheint es fester.
Der Glaube baut auf Sans und auf Wasser, der Himmel ist der Grund
“Es hilft nicht, wenn man schön liest oder hört von Gottes Güte, Liebe usw. Der Mensch kann es nicht glauben, noch über sein Herz bringen, dass er sich darauf verlasse und in den Tod gehe. Darum lernt man den Glauben nicht auf Pölsterlein aus den Büchern, oder durch müssiges Spazierengehen in eine Predigt.
Der Glaube ist des inneren Menschen Gesicht und Gewissheit, die er gewisser weiss, als was vor seinen leiblichen Augen steht, und darum bleibt er auch darauf in Todesnöten. Ja wenn alle Welt von ihm wiche, so wollte er also glauben.”
Benzion Gottlieb, mein Stiefvater, führte Auschwitz nie als Argument für oder gegen Gott an. Er war in Auschwitz und hörte auch dort nicht auf, vor Gott zu stehen; in die Knie ging er nur vor seinen Peinigern6
Elazar Benyoëts

Eigenlijk ontwerpt André Schwartz-Bart een radikale theologie: God in allen en alles, in deze wereld en daarbuiten. God is deel van de wereld ook al merken wij er niks van. De antinomie van Rabbi Nahman, deze ongelooflijke paradox dat God volslagen afwezig is in de wereld en dat de wereld niet zonder Hem kan bestaan, komt hier opnieuw op indringende wijze aan het licht. Net zoals in het verhaal ‘Nacht’ van Elie Wiesel waar een jongen aan de galg hangt, stervende is, midden in het concentratiekamp en iemand vraagt ‘waar is God’. Een innerlijke stem zegt dan: ‘Hij hangt daar aan de galg.’7
Schwartz-Bart formuleert het niet zo direct, maar naar mijn gevoel sluiten zijn woorden hierop aan:
Nee, er is geen graf om te bezoeken, geen monument om te gedenken…na al die doden in de concentratiekampen, deze massavernietiging van miljoenen en miljoenen in naam van een ideologie; Er is geen echte plek dan de hemel, “Denn der Rauch, der aus den Verbrennungsöfen aufsteigt, gehorcht wie jeder andere den physikalischen Gesetzen: Die Partikeln vereinigen sich und zerstreuen sich im Wind, der sie dahintreibt. Die einzig mögliche Pilgerfahrt, werter Leser, wäre die, manchmal wehmütig zu einem Gewitterhimmel aufzublicken.
Und gelobt. Auschwitz. Sei. Maidanek. Der Ewige. Treblinka. Und gelobt. Buchenwald. Sei. Mauthausen. Der Ewige. Belzec. Und gelobt. Sobibor. Sei. Chekmno. Der Ewige. Ponary. Und gelobt. Theresienstadt. Sei. Warschau. Der Ewige. Wolna. Und gelobt. Skazysko. Sei. Bergen-Belsen. Der Ewige. Janow. Und gelobt. Dora. Sei. Neuengamme. Der Ewige. Pustkow. Und gelobt…
Manchmal allerdings will dat Herz vor Kummer zerspringen. Aber häufig, am ehesten abends, kann ich auch nicht umhin zu denken, dass Erni Levy, der sechs Millionen Mal gestorben ist, noch irgendwo lebt, ich weiss nicht wo…Als ich gestern, am Boden festgewachsen, mitten auf der Strasse vor Verzweiflung erbebte, fiel von oben ein Tropfen Mitleid auf mein Gesicht herab; aber da war kein hauch in der Luft, keine Wolke am Himmel…da war nur eine Gegenwart.”8
God is overal. En omdat wij een verwachting hebben, een beeld, een voorstelling zien wij Hem niet. Onze betekenis die wij aan God geven verhult ons zijn aanwezigheid. Is het de liefde van God voor de mens dat Hij ons alle betekenissen uit handen slaat, dat er zoals Chris Wiman zegt, op een bepaalde manier geen mysterie is, zelfs niet in de realiteit van de mystieke ervaring?9 Betekenissen die de betekenis van zin teniet doen? Als wij die zin vastleggen in een beeld van God? Misschien biedt de poëzie daarom uitkomst omdat de dichter, de schrijver, God niet vastlegt maar heimelijk nadert, zoals Marc-Alain Ouaknin stelt, via de streling van het woord.
“Da war nur eine Gegenwart” – er was alleen een ‘heden’, een aanwezigheid – toen die druppel medelijden uit de hemel viel, zegt Schwarz-Bart.
Dat laat voor mij zien wat anderen ook vermoeden en verwoorden: de werkelijkheid heeft meer dimensies dan de empirie. De realiteit kan het transcendente in de vorm van een poetische benadering van de werkelijkheid onthullen. De waarheid van de poëzie heeft een eigen zeggingskracht en eigen dynamiek, ze heeft een eigen betekenisveld en daarom een eigen waarheid die in mijn ogen net zo standvastig is als de waarheid van de exacte wetenschappen. Alleen de discours vindt op een ander speelveld plaats: het leven zelf. Cornelis Verhoeven drukt dit zo uit: “Die ervaring is lyrisch omdat er vanuit een vanzelfsprekend geworden sacraliteit energieën vrijkomen en zich met kracht in het bestaan van de mens binnendringen. Sacraliteit ontploft in lyriek.”10

An Gott glauben –
auf seine Unsterblichkeit verzichten
Ein Traum von der Seligkeit:
Gott selbst nimmt mir
die letzte Hoffnung.
Der Glaube des Menschen
verlässt die Seele nicht,
die ihn verlassen hat.
Zukunft stellt sich ein, wo immer
Abschied genommen wird.
Nicht der Abschied schmerzt,
sondern die Verschiedenheit,
die jeder jedem bestätigt.
Ob man im Tode endet
oder in Gott mündet,
dazu gibt die Sprache
jedem sein Stichwort11
Elazar Benyoëts
Daar moeten wij het mee doen: met het gedicht, met de schamele poging iets over God uit te drukken, een aarzeling, een wachten, een hoop. Hoop, wanhoop en herinnering, heet een van de twee toespraken die Elie Wiesel uitsprak bij de overhandiging van de Nobelprijs voor de Vrede in 1986. Het is een tekst die elke politicus op zijn nachtkastje zou moeten hebben liggen om er telkens weer in te lezen. Inprenten dat leven en dood in de handen van mensen dicht bij elkaar liggen en dat de grens flinterdun is. Hoop, wanhoop en herinnering, is de meest korte samenvatting van de menselijke geschiedenis als project. Het is ook de meest korte samenvatting van de stand van zaken. Daar moeten we het mee doen. Maar daar kunnen we het ook meedoen, omdat hoop en herinnering de wanhoop omhelzen, omsluiten, als het ware opsluiten zodat deze niet het laatste woord heeft. Dat is de schrift, dat is het gebod van de bijbel: lees mij, herinner je de woorden die zijn gesproken, op de Sinaï, op de berg Gods, woorden die elke dag weer gegeven worden.12 Zing de gedichten, de liederen, de psalmen en leef in de geest van dit lied. Het scheppingsverhaal, de schepping van de eerste mens, de eerste man, de eerste vrouw, de wereld met al wat haar bevolkt, is een gedicht, een lang gedicht over het wonder van het leven en de kosmos. Dit lezen, je herinneren, telkens weer, beseffen hoe het begon. Elie Wiesel zegt: “De herinnering tart de dood, want de dood zet de herinnering stil; de herinnering ontkent de haat, want de haat ontkent de herinnering”13
Zonder herinnering heeft ook de hoop geen bodem om op te groeien, om zich staande te houden. De poëzie houdt op een bijzondere wijze de herinnering levend. Ze is het levende getuigenis van een geschiedenis die niet samenvalt met haar feitelijkheid. De poëzie is de geschiedenis in de meervoudigheid van haar betekenis, ze is geladen en opgeladen met een meervoud aan betekenissen. Ze is bij uitstek de drager van onze beschaving omdat zij zich niet leent voor de totalitaire kijk op de werkelijkheid. Die is aan haar wezen vreemd en die kan nooit passen in een gedicht. Daarvoor is het gedicht te ruim, te wijds, te veel-sprakig, te vol van betekenissen. Het gedicht leeft van de interpretatie, het bloeit op bij de verdiepende zoektocht naar haar kern. De totaliteit kan alleen maar verkillen, afweren, daarom is ze een leugen en levens-vreemd. Ze brengt de dood in het leven, het langzaam afsterven van de bewoners van de aarde. En ook als concept dreigt dat gevaar want het denken is het begin van alle handelen en het geweld verschuilt zich als eerste in het woord. Daarom schrijft de dichter Roberto Juarroz over de openheid, de interpretatie die nooit ophoudt en de principiële en poëtische on-vertaal-baarheid van de mens en zijn leven:

Usar la propia mano como almohada.
El cielo l hace con sus nubes,
ta tierra con sus terrones
y el árbol que cae
con su proprio follaje.
Sólo así puede escucharse
la canción sin distancia,
la canción que no entra en el oído
porque está en el oído,
la única canción que no se repite.
Todo hombre necesita
una canción intraducible.
De eigen hand als kussen nemen.
De hemel doet dat met zijn wolken,
de aarde met haar kluiten
en de boom, die met zijn
eigen bladeren valt.
Alleen zo kan men het lied
zonder afstand horen,
het lied dat niet in het oor gaat,
omdat het in het oor is,
het eeuwige lied, dat zich niet herhaalt.
Elk mens heeft
een onvertaalbaar lied nodig.14
Roberto Juarroz

Dit is een deel uit mijn essay: God in de kosmos. Het hele essay is te lezen (eventueel te koop) (en te downloaden) op:
Noten:
1 Ibid., p. 59
2 Wiesel, Elie, De poorten van het Woud. Roman, Hilversum 1987 (Gooi en Sticht), p. 15-16
3 Benyoëts, Scheinhellig, o.c. p. 108
4 Vgl. Schwarz-Bart, André, Der Letzte der Gerechten. Roman, Frankfurt am Main 1979 (Fischer)
5 Ibid., 204
6 Benyoëts, Scheinhellig, o.c. p. 101
7 Op een dag dat wij van het werk terugkwamen zagen we drie galgen op de appèlplaats, drie zwarte raven. Appèl. De S.S.-ers om ons heen, de mitrailleurs op ons gericht: de gewone gang van zaken. Drie geboeide veroordeelden en onder hen de kleine pipel, de engel met de droevige ogen. De S.S.-ers schenen bezorgder en ongeruster te zijn dan gewoonlijk. Een kind ophangen voor duizenden toeschouwers, dat is geen kleinigheid. De kampcommandant las het vonnis voor. Alle ogen waren op het kind gevestigd. Hij was doodsbleek, bijna kalm, hij beet op zijn lippen. De schaduw van de galg viel over hem heen. De hoofdkapo weigerde ditmaal als beul op te treden. Hij werd door drie S.S.-ers vervangen. De drie ter dood veroordeelden klommen tegelijk op hun stoelen. De drie nekken werden tegelijk in de stroppen gestoken. “Leve de vrijheid!” riepen de twee volwassenen. Maar het kind zweeg.
“Waar is de Goede God, waar is Hij?” vroeg iemand achter mij. Op een teken van de commandant werden de stoelen weggenomen. Er heerste een doodse stilte in het kamp. Aan de horizon ging de zon onder. “Hoofden ontbloten!” schreeuwde de commandant. Zijn stem klonk schor. En wij, wij huilden. “Hoofden bedekken!” Toen begon het defilé De twee mannen leefden niet meer. Hun tong hing uit hun mond, dik en blauw, het derde touw bewoog nog: het kind, dat zo licht was, leefde nog….
Langer dan een half uur bleef hij hangen tussen leven en dood, stervend onder onze ogen. en wij moesten hem richt in zijn gezicht kijken. Toen ik langs hem ging leefde hij nog. Zijn tong was rood, zijn ogen nog niet gebroken. Achter mij hoorde ik dezelfde man vragen: “Waar is God toch?”
En binnen in mij hoorde ik een stem die antwoordde: “Waar is Hij? Hier- Hij is hier opgehangen – aan deze galg…” Die avond had de soep een vreselijke smaak.
Wiesel, E., De nacht, Hilversum 1986 (Gooi en Sticht) p. 65-66
8 Ibid., p. 376
9 “Het grootste mysterie van deze momenten in ons leven is dat er, op een bepaalde manier, geen mysterie is, dat wil zeggen, de immense, ongrijpbare mystieke realiteit die ons overweldigt is ook het concrete, lijdende soms al te aanraakbare gezicht pal voor onze ogen.” Ibid. p. 94
10 “De lyrische dimensie die het bestaan in de romantiek heeft, is niet zozeer de nevel die een evasief denken erover uitspreidt, alswel het produkt van een belangeloze, want ongewilde ontmoeting. Romantiek is geen gevoel naast andere gevoelens, maar een ontdekking; wij moeten de romantische uiting aan haar woord houden: het is de aanwezigheid zelf die een lyrische dimensie heeft. Aanwezigheid, loutere aanwezigheid als zodanig, is een lyrische categorie.
Wat is dan die lyrische dimensie? Zij is dat wat in de aanwezigheid gegeven is boven het verifieerbare, constateerbare. Zij is de kracht waarmee het ‘andere’ zich in het ‘hetzelfde’ openbaart. Romantiek is de ongeneeslijke dualiteit binnen hetzelfde. De ruïne is niet zomaar een ruïne, iets wat overgebleven is; juist als ruïne openbaart zij nieuwe kwaliteiten. Niets blijkt zozeer een totaliteit te zijn als wat zo duidelijk een ‘rest’ lijkt. Deze ontdekking heeft een absolute strekking: de harde identiteit van de dingen splijt open. Het huis is geen huis en A is niet A. Het eendere blijkt voor de verwonderde blik in het andere te ontploffen en het nabije is oneindig ver weg. Rondom elke werkelijkheid zijn alle mogelijkheden tegelijk present. Gevoel voor verbondenheid met het nabij e wordt ervaren als heimwee naar de verte en dat heimwee grijpt niet verder dan dezelfde plaats waar het ontstaat. Elke duidelijkheid werpt een schaduw van skepsis om zich heen. Alles is anders. De romantiek is de lyrische ontdekking van de verwondering als werkelijkheidservaring. Haar lyrisch karakter wordt bepaald door de niet-identiteit van de dingen. Die is gegeven. Hun identiteit is een opgave aan de zakelijkheid een enthousiasmerende of deprimerende droom, niet een constateerbaar feit. Identiteit is niet het begin, maar het einde. Het is een eschatologisch begrip en alleen in zijn eschatologische reikwijdte mag het de hoeksteen van de logica worden, niet in zijn hopeloze fraseologische verklontering.
De werkelijkheid heeft een goddelijk of magisch gezicht. Nooit is deze grond-ervaring van de Griekse religie beter begrepen dan in de romantiek en bij haar latere aanhangers. Wat in de werkelijkheid enthousiasmerend is, is het andere, het ‘goddelijke’ daarin. De romanticus is ‘entheos’: hij is van de godheid vervuld en helemaal in de godheid. Dat is de objectiverende formulering van de bevinding dat de dingen ‘anders’ zijn, goddelijk, sacraal. In de romantiek is het sacrale bezig zich als paradox van de vanzelfsprekendheid en als lyriek te doen gelden in de ervaring van de aanwezigheid. Die ervaring is lyrisch omdat er vanuit een vanzelfsprekend geworden sacraliteit energieën vrijkomen en zich met kracht in het bestaan van de mens binnendringen. Sacraliteit ontploft in lyriek. De romantiek is een beweging waardoor een historisch dichtgeklonterde en vanzelfsprekend geworden sacraliteit, waarin het andere niet meer als ‘anders’ verscheen, wordt geliquideerd en in het ‘gewonen’, niet sacrale-bestaan opgenomen als lyrische aanschouwing van de ene werkelijkheid. De romantiek is het begin van een secularisatieproces.” Verhoeven, Vooruitzien…o.c.., p. 13-14
11 Ibid., p. 81
12 Vgl. Wiesel, E., De wanhoop verdreven. Eerbetoon aan negen chassidische meesters, Hilversum 1986 (Gooi en Sticht), p. 28
13 Ibid., p. 28
14 Juarroz, Roberto, Vertikale Poesie. Poesía Vertical. Werkauswahl, Salzburg und Wien 2005 (Jung und Jung), p. 134-135 (vertaling van mijn hand)
