Stil-staan bij en stilte…

Zu zeitintensiven Praktiken gehört auch das Verweilen. Die  Wahrnehmung, die sich an Informationen heftet, hat keinen langen und langsamen Blick. Informationen machen uns kurzsichtig und kurzatmig. Es ist unmöglich, bei Informationen zu verweilen. Das kontemplative Verweilen bei den Dingen, das absichtslose Sehen, das eine Formel des Glücks wäre, weicht dem Jagen nach Informationen. Wir rennen heute Informationen nach, ohne Wissen zu erlangen. Wir nehmen Kenntnis von allem, ohne zu einer Erkenntnis zu gelangen. Wir fahren überall hin, ohne eine Erfahrung zu machen. Wir kommunizieren ununterbrochen, ohne an einer Gemeinschaft teilzunehmen. Wir speichern Unmengen von Daten, ohne Erinnerungen nachzugehen. Wir akkumulieren Friends und Followers, ohne einem Anderen zu begegnen. So entwickeln Informationen eine Lebensform, die ohne Bestand und Dauer ist. (Byung-Chul Han, Undinge. Pag. 13-14)

Epifanische ervaringen van aanwezigheid zijn momenten waarop een ding, een landschap of een situatie een bijzondere betekenis krijgt. Het alledaagse, het vanzelfsprekende en ook alles wat rationeel te beredeneren valt, (en dus in een kader past) wordt even doorbroken door iets bijzonders. Iets wat niet in kaders past en wat niet direct kan worden ingelijfd in een begrippenkader of in een ervaring van ‘dat kennen we, dat weten we, dat hebben we vaker gezien’. De openbaarwording van de geboorte van de Messias, de Christus, bij het bezoek van de drie wijzen is een ervaring van epifanie. De etymologiebank schrijft over “grieks epiphaneia [verschijning], van epiphainein [laten zien, reflexief: plotseling te voorschijn komen bij iets], van epi [bij] + phainein [schijnen, blijken, doen verschijnen, tonen].” (Zoekresultaten (etymologiebank.nl))

In een religieuze context is dat meestal de ervaring van openbaring, het goddelijke of transcendente breekt door in de immanente werkelijkheid. Ik houd me al meer dan 25 jaar bezig met dit fenomeen. Niet om (op een natuurkundige wijze bijvoorbeeld) te bewijzen dat het voorkomt – of met andere woorden dat God bestaat – of de goddelijke werkelijkheid, de transcendente realiteit. Het is volgens mij ook geen kwestie van kunnen bewijzen want kenmerkend voor de goddelijke werkelijkheid is dat ze de immanente werkelijkheid overstijgt, doorbreekt, even stilzet. Met immanente middelen is het transcendente niet te bewijzen of rationeel te verklaren. Het is ook niet een kwestie van ‘geloven’ en van ‘geloof’ alsof dat een heel andere manier van waarnemen zou zijn, los van elke rationele grondslag. Geloven en (rationeel) kennen (en weten) staan in mijn ogen niet tegenover elkaar maar vullen elkaar aan. Het zijn verschillende dimensies van waarnemen en van een vorm van openheid, toewijding, betrokkenheid.

Er kunnen epifanische momenten in ons dagelijks leven optreden: ook in de literatuurwetenschappen is dit alom bekend.( Epifanie (literatuur) – Wikipedia) Een object krijgt opeens een heel bijzondere betekenis. De ‘innerlijke’ waarneming, de ervaring ervan, (wat dieper gaat dan alleen maar waarnemen met de ogen en betekenis toekennend met je verstand), wil eigenlijk zeggen dat er iets in je binnenste geraakt wordt. Je hart doet mee. Je bent helemaal van je a-propos. Wat je eerst misschien vanuit een zekere onverschilligheid waarnam krijgt nu een bijzondere lading. Elke vorm van onverschilligheid, van niet betrokken zijn is weg. Het komt ‘binnen’, je wordt erdoor geraakt. Je wordt erdoor zo geraakt dat je misschien wel verandert. Byung-Chul Han (Undinge…) citeert Hugo von Hoffmansthal die een dergelijke ervaring beschrijft:

In seinem berühmten  Chandos-Brief berichtet der fiktive Erzähler von epiphanischen Präsenz-Erfahrungen. Unscheinbare Dinge wie eine halb volle Gießkanne, ein darin schwimmendes Insekt, ein verkümmerter Apfelbaum, ein moosbewachsener Stein oder eine auf dem Feld verlassene Egge, »über die sonst ein Auge mit selbstverständlicher Gleichgültigkeit hinweggleitet«, nehmen in einem Moment plötzlich ein »erhabenes und rührendes Gepräge« an und überschütten den Betrachter mit einer »sanft und jäh steigenden Flat göttlichen Gefühls«. Epiphanische Erfahrungen von Intensität versetzen den Betrachter in ein »fieberisches Denken«, in ein »Denken in einem Material, das unmittelbarer, flüssiger, glühender ist als Worte«. Beschworen wird eine magische Weltbeziehung, die nicht von der Repräsentation, also von Vorstellung und Bedeutung, sondern von unmittelbarer Berührung und Präsenz geprägt ist. (Pag. 67)

De werkelijkheid presenteert zich aan jou, laat zich aan jouw zien, op een nieuwe wijze. Het ding, het object, het landschap, de situatie, overweldigt je, je wordt erdoor geraakt, je raakt er in opgenomen, je ervaart opeens een grote intensiteit. Iets wat elke vorm van onverschilligheid, onachtzaamheid, van niet-zien overstijgt. Han schrijft dat op zulke momenten de mens een nieuwe betrokken relatie aangaat met zijn bestaan. Hij begint met zijn hart te denken. Het zijn ook momenten van een diepe vrede. Als je op deze wijze geraakt wordt, getroffen door wat zich aan je openbaart, staat je zelfbewustzijn, je ego, op de achtergrond, doet dan niet mee. Zelf-vergetenheid en zelfverlies zijn het gevolg. Een ego dat zich nauwelijks manifesteert, dat verwondbaar is, is gevoelig voor de taal van de dingen, zo Han:

Wo das Ich schwach wird, wird es empfänglich für jene stille Dingsprache. Die Präsenz-Erfahrung setzt eine Ausgesetztheit, eine Verwundbarkeit voraus. Ohne Wunde höre ich letzten Endes nur noch das Echo meiner selbst. Die Wunde ist die Öffnung, ja das Ohr für den Anderen. (Pag. 68)

‘Toon je wonde’, Zeige deine Wunde, is een installatie van en ook een videofilm (met deze titel) over het denken en werk van Joseph Beuys. (zeige deine Wunde – Wikipedia) Deze kunstenaar was zich maar al te goed bewust dat onze werkelijkheid veel dimensies heeft en dat het spirituele domein pas betreedbaar is als je jezelf openstelt. Als je jezelf niet verschuilt achter een pantser. Als je laat zien hoe kwetsbaar en verwondbaar je bent. Je wonde is de toegang tot een werkelijkheid die jou overstijgt. Als iets van toepassing is op de ontmoetingen van gewonden met de figuur van Jezus van Nazareth, dan is het dit wel. Als je niets en niemand nodig hebt, word je nooit geraakt omdat je jezelf niet wilt laten raken. Als jij je ego telkens weer oppompt, als jij jezelf telkens weer groot houdt, maak je geen ervaringen van epifanie mee. De dingen, de situaties, de mensen raken je niet (meer). Er is geen vorm van magie meer in je ervaringen, je bent slechts een verzameling van indrukken, een opeenstapeling van gebeurtenissen die om het even zijn. Niets raakt je, je wilt je door niets laten raken. Alles wat om je heen gebeurt is slechts een stroom van informatie. Een verzameling losse feitjes, zonder samenhang, zonder betrokkenheid van jouw kant.

Han sluit aan bij het onderscheid dat Ronald Barthes maakt bij het zien van een foto: studium en punctum. Studium is de waarneming van een foto zonder bijzonder oogmerk. Het is een foto onder velen. Niks opvallends, niks wat je raakt. Punctum is het moment dat iets je treft, vaak totaal onverwacht. Iets raakt je in de foto, en dan gebeurt er iets. Epifanie vindt plaats. Han schrijft:

Das studium ist mit einem »souveränen Bewusstsein« ausgestattet. Ich lasse meine Aufmerksamkeit souverän über das weite Feld aus Informationen gleiten. Das punctum hingegen versetzt mich in eine radikale Passivität. Es macht mich schwach. Ich erleide einen  Selbstverlust. Etwas »trifft« mich diesseits bewusster Entscheidung. Etwas »besticht« and »verwundet« mich. Ich werde von etwas Singulärem berührt und ergriffen. Etwas Namenloses bricht in eine unbekannte Zone des Ichs ein, die sich meiner Kontrolle entzieht. (Pag. 70)

In onze digitale werkelijkheid worden epifanie-ervaringen zo goed als onmogelijk gemaakt: een laag van informatie staat tussen onze waarneming en de werkelijkheid. Een laag van informatie verhindert dat de werkelijkheid zich epifanisch kan tonen, dat doordringt in ons innerlijk wat de immanentie overstijgt. We zitten verscholen achter ons beeldscherm (hoe klein ook – zoals bij de smartphone) en alles om ons heen ontgaat ons, of we nemen het waar door de lens van het apparaat. Maar die vorm van waarneming raakt ons niet, want de stroom aan informatie vlakt alles af, ook ons gemoed, ook onze stemming, ook onze openheid voor de wereld. In de digitale context zijn er geen wonden, is er geen verwonding, alles is comfortabel, behaaglijk. Want de informatiestromen hebben tot doel om ons te behagen, te plezieren, opdat we consumeren. Niet alleen de informatie zelf, maar ook datgene waar de informatie ons op wijst zodat we lust krijgen in datgene wat ons wordt voorgehouden. Onze ‘appetitus’ (Wat is de betekenis van APPETITUS (ensie.nl)) wordt gestimuleerd. Han vat dit samen:

Das punctum der Wirklichkeit penetriert das Feld der Repräsentation und lasst die Präsenz hereinbrechen. Es bringt epiphanische Augenblicke hervor. Die Digitalisierung totalisiert das studium, indem sie die Wirklichkeit auf Informationen reduziert. Aus dem digitalen Bildschirm schießt nichts wie ein Pfeil hervor und durchbohrt den Betrachter. Informationen haben keine Pfeilspitze. Sie prallen am erstarkenden Ego ab. Die Informationsmasse, welche die Wirklichkeit überzieht, schirmt die Wahrnehmung vom punctum der Wirklichkeit ab. Der Informationslärm verhindert Präsenz-Erfahrungen, ja Offenbarungen, denen ein Moment der Stille innewohnt. (Pag. 70-71)

Han wijst ook op de Franse uitdrukking apprendre par coeur (van buiten leren): zich iets eigen makend door herhaling. Alleen herhalingen bereiken het hart, zo Han. Ritmes zijn afhankelijk van herhaling. Een leven zonder herhaling is een leven zonder ritme. Ritmes zijn nodig voor stabiliteit: biologisch en psychisch hebben we dat nodig. Biologisch gezien is het hart bij uitstek een orgaan dat leeft door het ritme. Een hartstilstand is een einde van het hartritme en dus het begin van de dood. Zonder dagelijkse ritmes wordt ons psychische leven vluchtig, is er geen houvast. Dan vliegen we van het ene naar het andere en nergens zijn we thuis. Als we telkens nieuwe informatie tot ons nemen – informatie die komt en gaat – die eigenlijk nergens echt wordt opgeslagen en ook niet opgeslagen kan worden omdat ze veel te divers, veel te complex en veel te veelzijdig is, dan raken we als het ware overspoeld. We verliezen niet alleen ons houvast, we vinden ook geen nieuw houvast meer.  Een dagelijks ritme in onze leefgewoontes maakt het mogelijk dat wij ons kunnen oriënteren in de wereld, we weten waar we vandaan komen, wie we zijn, waar we naar toe gaan. Als alles telkens nieuw is, zijn we binnen no time ons houvast kwijt.

In een samenleving waar de informatie als het ware over elkaar heen buitelt, waar alles om aandacht schreeuwt, waarin we onszelf voortdurend moeten presenteren om gezien te worden, verdwijnt de stilte uit ons bestaan. Rust, stilte, leegte, bezinning, een pas op de plaats, niets doen, het zijn allemaal voorwaarden om iets te kunnen ervaren van ervaringen die onze routine doorbreken: epifanie is alleen mogelijk als wij zelf daarvoor open staan. Niet als wij onze tijdsbesteding overlaten aan een planner van buiten: de agenda van ons werk, de agenda van onze verplichtingen en al datgene wat we van ons zelf moeten. Als we voortdurend in actie zijn is voor een doorbraak van het transcendente in ons leven geen plaats. Het Heilige, (letterlijk dat wat apart is gezet en wat niet in onze immanentie past – want het doorbreekt het immanente, de dagelijkse gang van zaken) krijgt zo nooit een plaats in ons leven. Han schrijft over deze stilte en het heilige het volgende:

Das Heilige ist ein Ereignis der Stille. Es lasst uns lauschen: „Myein, einweihen, steht etymologisch für >schließen< – die Augen, vor allem aber den Mund. Am Anfang der heiligen Riten >befahl< der Herald >die Stille< (epitattei ten siopen).“ Wir leben heute in einer Zeit ohne Weihe. Das Grundverb unserer Zeit ist nicht »schließen«, sondern öffnen, »die Augen, vor allem aber den Mund«. Die hyperkommunikation, der Kommunikationslärm entweiht und profanisiert die Welt. Niemand lauscht. Jeder produziert sich. Die Stille produziert nichts. Daher liebt der Kapitalismus die Stille nicht. Der Informationskapitalismus erzeugt den Zwang der Kommunikation. Die Stille schärft die Aufmerksamkeit für die höhere Ordnung, die aber keine Herrschafts- and Machtordnung sein muss. Die Stille kann höchst friedlich, ja freundlich and zutiefst beglückend sein. Eine Herrschaft kann zwar das Schweigen vonseiten der Unterworfenen erzwingen. Aber das erzwungene Schweigen ist keine Stille. Die wirkliche Stille ist ohne Zwang. Sie ist nicht unterdrückend, sondern erhöhend. Sie raubt nicht, sondern schenkt.(Pag. 91)

Stilte kunnen we zelf creëren door stil te worden, door innerlijk ook afstand te nemen. Door zich kwetsbaar op te stellen. Door te luisteren naar wat om heen gebeurt in de natuur, het landschap, de innerlijke ruimte van ons hart. Dat is wat anders als zelfproductie van het ego. Wat anders dan het op-pimpen van je CV, je tonen aan de wereld via sociale media. De horizontale wereld heeft de verticale dimensie in ons bestaan verdrongen, schrijft Han:

Das Vertikale weicht dem Horizontalen. Nichts ragt. Nichts vertieft sich. Die Wirklichkeit wird zu Informations- and Datenflüssen eingeebnet. Alles breitet sich aus and wuchert. Die Stille ist eine Erscheinung der Negativität. Sie ist exklusiv, während der Lärm ein Ergebnis permissiver, extensiver, exzessiver Kommunikation ist.

Die Stille geht vom Unverfügbaren aus. Das Unverfügbare verstetigt und vertieft die Aufmerksamkeit, bringt den kontemplativen Blick hervor. Er hat die Geduld für das Lange und Langsame. Wo alles verfügbar und erreichbar ist, bildet sich keine tiefe Aufmerksamkeit. Der Blick verweilt nicht. Er schweift wie der eines Jägers.

Für Nicolas Malebranche ist die Aufmerksamkeit das natürliche Gebet der Seele. Die Seele betet heute nicht mehr. Sie produziert sich. Die extensive Kommunikation zerstreut die Seele. Mit der Stille lassen sich nur jene Tätigkeiten vereinbaren, die dem Gebet ähneln. Die Kontemplation ist aber der Produktion entgegengesetzt. Der Zwang zur Produktion und Kommunikation zerstört die kontemplative Versenkung.(Pag. 93)

In een wereld vol actie valt het ons steeds moeilijker om niets te doen. Om te laten, om afscheid te nemen van alle druk die op ons wordt gelegd. Tijd, ruimte nemen om niets te doen, voor contemplatie, voor meditatie, voor rust en voor stilte. Opdat we geen slachtoffer worden van onze hyperactiviteit. ADHD is een van de volksziektes van dit moment. Ze sluit perfect aan bij deze (digitale) samenleving. Stil worden wil ook zeggen dat je een stap terug doet. Je trekt jezelf terug, je doet even niet meer mee. Ook je naam, je prestige speelt geen rol. Trouwens de naam die je hebt ontvangen, het is een cadeau, het is geen bezit. Het is geen omheining rond je ego. Je naam is geen onderscheidend kenmerk waardoor je bijzonder bent, alsof je geen deel uitmaakt van een groter geheel. Als mens, als levend organisme ben je onderdeel van een werkelijkheid die jou ver overstijgt. Alle vasthouden aan een ego is slechts een stamelende kleinzielige poging om iets voor te stellen in een grote wereld die jou niet alleen overstijgt maar waar je een heel klein deeltje van bent. En als die wereld verandert, verander je mee. Daarom, geef j e over…ervaar in de stilte wie je bent, wat je bent en wat je zou willen. Han verwijst naar Friedrich Nietzsche die hier weet van had. Een mooi citaat om mee te eindigen:

Nietzsche wusste, dass die Stille mit dem Rückzug des Ich einhergeht. Sie lehrt mich horchen and aufhorchen. Nietzsche setzt der lärmenden Aneignung des Namens das »Genie des Herzens« entgegen: »Das Genie des Herzens [… ], das alles Laute and Selbstgefällige verstummen macht und horchen lehrt, das die rauen Seelen glättet und ihnen ein neues Verlangen zu kosten giebt, – still zu liegen wie ein Spiegel, dass sich der tiefe Himmel auf ihnen spiegele [… ] das Genie des Herzens, von dessen Berührung Jeder reicher fortgeht [… ] unsicherer vielleicht, zärtlicher zerbrechlicher zerbrochener [… ].« Nietzsches »Genie des Herzens« produziert sich nicht. Vielmehr zieht es sich zurück in die Namenlosigkeit. Der Aneignungswille als Wille zur Macht weicht zurück. Die Macht schlagt in die Freundlichkeit um. Das »Genie des Herzens« entdeckt die Kraft der Schwäche, die sich als Pracht der Stille äußert. (Pag. 97-98)

John Hacking

23 januari 2023

bron:

Byung-Chul Han, Undinge. Umbrüche der Lebenswelt, Berlin 2021, (Ullstein)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.