Overgeleverd

“Weet men waarom men schrijft? Schrijven is een manier om met zichzelf en met anderen in dialoog te treden.” (Marc-Alain Ouaknin p. 61)

Dialoog, dialogos, het woord dat ergens doorheen gaat tot iets anders: dat ergens, dat ben je zelf en dat andere is de ander. Een heen en weer, een op en neer. Het woord dat over gereikt wordt, opgenomen, aangevangen, verondersteld, vermoed, doorgegeven, ontdekt, geproefd, aanvaard. Het woord en de woorden, overgeleverd. Wij hebben ze ontvangen – een traditie, een geschiedenis van eeuwen. Met die woorden bouwen we onze eigen wereld, onze werkelijkheid waarin we ons bewegen, waarin we ons goed of niet goed voelen. Gelukkig of ongelukkig. Gezond of ziek. Hoopvol of twijfelend, zeker van onze zaak of onzeker. Het woord is de bouwsteen voor ons geluk, gebouwd op een samenspraak, op kastelen uit woorden, die we voor het gemak maar betekenissen noemen. Woorden vormen het fundament en het cement, ze vormen de verbinding en de inhoud. Wat we ook bedenken, welke gedachten ons ook te binnen schieten, de beelden voor ons geestesoog, we vatten alles (of bijna alles in woorden). En als woorden tekort schieten, bij een ervaring die ons overweldigt (in de mystiek, bij een trauma) dan kunnen we het toch niet laten om te proberen er woorden aan te geven. We willen kost wat kost doorgeven wat ons is overkomen – door ons heen naar de ander toe, woorden zoekend, woorden vindend.

In een andere zin zijn wij ook overgeleverd: via ons lichaam, dat ook een taal spreekt, het lichaam dat ons leven kleurt, vorm geeft, bepaalt. Geworpen noemt Martin Heidegger dit: we zijn als het ware in dit leven (ik moet dan denken aan een kalf dat geboren wordt, of een lammetje) geworpen. Geworpen in en op deze wereld, in deze existentie, door deze val in ons rijpend zelfbewustzijn en zelf-verstaan. Hoewel dat laatste natuurlijk niet vanzelf gaat en resultaat is van een proces van jaren. Gevallen in onze werkelijkheid die wij menselijk noemen, een menselijk bestaan, een menselijke conditie. En die werkelijkheid behangen we met taal, onze taal is het behang waarmee we onze realiteit zichtbaar, toonbaar, aanvaardbaar, toegankelijk maken. Daarbij houden we het graag veilig, overzichtelijk, beheersbaar. Maar hierin schuilt net de pijn. Die garantie hebben we niet. Het leven levert ons streken waar we vaak niet van thuis hebben. We worden ziek, uiteindelijk gaan we dood. Het leven maakt ons duidelijk dat we relatief zijn, dat ons lichaam krakkemikkig wordt, hoe zeer we ook ons best doen om de conditie op peil te houden. Als we eenmaal weten en durven te accepteren dat we dood zullen gaan, is dat gevoel van overgeleverd zijn anders dan dat je jezelf hiertegen blijft verzetten. Die strijd ga je echter nooit winnen. Hoeveel je ook bidt, hoeveel je ook uren besteed aan het verzoek om geholpen te worden, dat je blijft bestaan, dat je behouden blijft. Een God die hierop bevestigend zal antwoorden moet nog worden uitgevonden. Marc Alain Ouaknin verwijst naar de wortel van het Hebreeuwse woord voor God, El, (God is eigenlijk een onjuiste vertaling – te abstract, ontleend aan Theos (Grieks) en Deus (Latijn) – zo abstract komt God niet voor in de bijbel). Het is dezelfde wortel als in ulai. Hij zegt:

El heeft zelfde wortel als ulai dat ‘misschien’ betekent. “God is dus een ‘misschien’; God is een hypothese. Het bestaan van God willen be-wijzen of af-wijzen maakt van God een object dat men kan bezitten of verwerpen. Dat is onmogelijk; maar deze hypothese in de lucht houden door keer op keer te bevestigen dat er ‘misschien ’iemand of iets als God bestaat, is een levensbehoefte. Die vraag is namelijk een onuitputtelijke bron van vitaliteit en verbeelding en biedt eindeloze perspectieven.” (Marc-Alain Ouaknin p. 87)

God als vraag en niet als zekerheid, God als omschrijving in en uit een taalspel, in dialogos, sluimerend doorheen de taal, doorheen ons verlangen, samen met al datgene wat we uiten en wat we aan elkaar zichtbaar proberen te maken. Voor velen valt dat niet mee, deze vorm van onzekerheid. Deze vorm van overgeleverd zijn aan een werkelijkheid die zich aan onze greep onttrekt. Wat levert deze God ons dan? Buiten veel onzekerheid en twijfel? Is er dan niks om jezelf aan vast te houden, om op te rusten, om je bestaan te verzekeren? Zeker als de dood aan je deur klopt en je niet weet wat er dan daarna gaat komen. En komt er nog wel iets? Of is het dan voorgoed afgelopen en val je terug in het stof. Inclusief het doven van je geest als een lamp die uit wordt gedaan. Zolang we leven kunnen we praten, blijven we praten, praten met elkaar. En dat gesprek, deze dialoog, is als brood, het houdt ons in leven. Ook ten aanzien van de vragen waar we geen antwoorden op hebben, de vragen waarop we nooit antwoord zullen krijgen. Dat brood is echter levensnoodzakelijk, we leven er niet alleen van, we gaan ten onder als we dit brood moeten missen, we verzinken in cynisme en zwartgalligheid. Depressieve gevoelens waar geen ontsnappen meer uit is volgen dan snel. Brood van de taal, brood van de dialoog is noodzakelijk om in dit overgeleverde bestaan de moed erin te houden, ook al zitten we midden in de woestijn. Ouaknin schrijft over dit brood, dit manna het volgende”

“Wat is dat? (Hebreeuws: ma-na) zo zal voortaan het brood uit de hemel heten: manna, wat is dat? De vraag is het antwoord en het antwoord is de vraag. Midden in de woestijn regent het dagelijks brood, het regent vragen die de mensen in leven houden. Langer dan één dag blijft dit reddende manna, dit vraag-en-antwoordspel, niet vers. Het moet meteen worden gegeten anders bederft het. De vraag blijft niet lang actueel. Er moeten steeds nieuwe vragen worden gesteld. Alleen rond de sabbat blijft het manna twee dagen goed, zodat de mensen het niet op hoeven te rapen op de zevende dag van de week, dus op de rustdag. Op sabbat zwijgen de vragen. Zonder vers manna, zonder voortdurend nieuwe vragen, overleven mensen niet. …

Het manna weigeren wordt in de traditie van de Talmoed gezien als de ergste fout die een mens kan begaan. Want dat betekent dat de mens weigert zichzelf en anderen aan vragen te onderwerpen en de traditie kritisch te bekijken.” (Marc-Alain Ouaknin p. 18-19)

“Als de vragen zwijgen, neemt het geweld het woord over”. (Marc-Alain Ouaknin p. 21)

De vragen, de antwoorden, de nieuwe vragen markeren ons leven. Ze zijn niet alleen richtingwijzer, maar ze dragen ons ook, verder in het leven, verder naar het einde van het leven. Ze zijn de bodem waarop we staan, het woestijnzand waarop we ons voortbewegen richting horizon. Maar zijn we soms niet te gretig, zijn we soms niet te voorbarig, te veel verlangend naar duidelijkheid, een juiste weg, een doel voor ogen dat zekerheid, dat houvast biedt? Zijn we wel in staat om de leegte in ons bestaan zo te laten, niet op te vullen, niet te veronachtzamen? Willen we het leven dat ons is overgeleverd via ons lichaam en onze geest niet al te snel dwingen in de mal, de vorm van de bevrediging? Happyness op elk moment op elke dag? Wat een illusie als je zo in het leven staat. Want al gauw ontdek je dan hoeveel leegte er is om je heen, hoe onmogelijk het is, om al deze vormen van leegte op te vullen. Uiteindelijk blijft er geen andere weg dan de leegte te accepteren. Martin Heidegger schildert in een dialoog tussen een Japanner (J) en een filosoof (F) dit dilemma:

J Uns Japaner befremdet es nicht, wenn ein Gespräch das eigentlich Gemeinte im Unbestimmten läßt, es sogar ins Unbestimmbare zurückbirgt.

F Dies gehört, meine ich, zu jedem geglückten Gespräch zwischen Denkenden. Es vermag wie von selbst darauf zu achten, daß jenes Unbestimmbare nicht nur nicht entgleitet, sondern im Gang des Gespräches seine versammelnde Kraft immer strahlender entfaltet.

J An diesem Glückhaften fehlte es wohl unseren Gesprächen mit dem Grafen Kuki. Wir Jüngeren forderten ihn zu unmittelbar heraus, unser Wissenwollen durch handliche Auskünfte zufrieden zu stellen.

F Das Wissenwollen und die Gier nach Erklärungen bringen uns niemals in ein denkendes Fragen. Wissenwollen ist stets schon die versteckte Anmaßung eines Selbstbewußtseins, das sich auf eine selbsterfundene Vernunft und deren Vernünftigkeit beruft. Wissenwollen will nicht, daß es vor dem Denkwürdigen verhoffe. ( Martin Heidegger pag. 100)

Hoe graag we ook zouden willen weten, hoe graag we ook die zekerheid najagen, en onze maatschappij laat tegenwoordig bijna niks anders zien, staan blijft het feit dat we overgeleverd zijn: onze werkelijkheid is voor een deel ons eigen bouwsel en het bouwsel dat we uit de traditie hebben geërfd, dat ons is geschonken en waar we voortdurend verder aan knutselen via onze taal. De menselijke overlevering is er een van ontstaan en vergaan,  van geboren worden en sterven, van ontvangen en van doorgeven. Wat we ontvangen leren we dragen, tonen we aan anderen, en ook aan onszelf. Schrijven en spreken geldt beiden. Jezelf en de ander zijn in het geding en zo ontdek je steeds nieuwe wegen en nieuwe mogelijkheden. Heidegger drukt zich in zijn dialoog wat moeilijker uit, maar zegt eigenlijk hetzelfde: iets wat jij draagt, wat jij bijdraagt is ook datgene wat jou toevalt, wat je ontdekt, wat op je weg komt, wat je meemaakt en waar je mee omgaat. Jouw taal, jouw gebaren, jouw spreken, wat ook een vorm van gebaren is, is een geheel in dialoog, gaat door jou heen en komt ook bij de ander. Ook jij valt niet samen met jezelf, ook jij bent of kunt een vreemde, en een dialoogpartner zijn voor jezelf. Uiteindelijk sta je altijd weer voor de leegte, het niet opvulbare in je bestaan. De vragen reiken daaraan, de vragen duiden in die richting, de echte vragen maken die leegte telkens opnieuw zichtbaar. Heidegger laat zijn Japanse gast opmerken dat die leegte, dat Niets – de hoogste vorm, de beste naam is voor het “Zijn”. De existentie van de mens is door dit “Zijn” getekend, hij is er aan overgeleverd en dit “Zijn” is de baas. Totdat de dood dit “Zijn” beëindigt – maar zelfs de dood is deel van dit “Zijn”. Heidegger zegt het op zijn onnavolgbare wijze zo:

F Gebärde ist Versammlung eines Tragens.

J Sie sagen wohl absichtlich nicht: unseres Tragens, unseres Betragens.

F Weil das eigentlich Tragende uns sich erst zu-trägt.

J Wir jedoch ihm nur unseren Anteil entgegentragen.

F Wobei jenes, was sich uns zuträgt, unser Entgegentragen schon in den Zutrag eingetragen hat.

J Gebärde nennen Sie demnach: die in sich ursprünglich einige Versammlung von Entgegentragen und Zutrag.

F Die Gefahr dieser Formel bleibt allerdings, daß man die Versammlung als einen nachträglichen Zusammenschluß vorstellt …

J statt zu erfahren, daß alles Tragen, Zutrag und Entgegentragen, erst und nur der Versammlung entquillt.

F Wenn es uns glückte, die Gebärde in diesem Sinne zu denken, wo würden wir dann das Eigentliche der Gebärde suchen, die Sie mir zeigten?

J In einem selbst unsichtbaren Schauen, das sich so gesammelt der Leere entgegenträgt, daß in ihr und durch sie das Gebirge erscheint.

F Die Leere ist dann dasselbe wie das Nichts, jenes Wesende nämlich, das wir als das Andere zu allem An- und Abwesenden zu denken versuchen.

J Gewiß. Deshalb haben wir in Japan den Vortrag «Was ist Metaphysik?>> sogleich verstanden, als er im Jahre 1930 durch die Übersetzung zu uns gelangte, die ein japanischer  Student, der damals bei Ihnen hörte, gewagt hat. – Wir wundern uns heute noch, wie die Europäer darauf verfallen konnten, das im genannten Vortrag erörterte Nichts nihilistisch zu deuten. Für uns ist die Leere der höchste Name für

das, was Sie mit dem Wort «Sein» sagen möchten …

(Martin Heidegger pag. 108-109)

Met die invulling van ons geworpen zijn in dit bestaan, de leegte waarin we pas kunnen existeren, het Niets dat ons omgeeft, kan ik goed leven. Ik heb de zekerheid van een existentie niet nodig die weet waar het op uit loopt en die vaste doelen heeft om te bereiken. Ik weet het niet en ik hoef het niet te weten. In mijn overgeleverd zijn hoef ik mij niet machteloos te voelen. Het komt wat er komt. De grens aan dit leven, mijn leven, wordt altijd één keer bereikt. Daarover geen twijfel. Nu heb ik nog de overleverde woorden om te spreken, om de dialoog aan te gaan met mezelf en de ander, de lezer en de beschouwer. Ik ben toeschouwer, beschouwer, aanschouwer van mijn eigen woorden, mijn eigen bouwsels, mijn eigen betekenissen, in dialogos. Voor mij is dat voldoende, vol al doende.

John Hacking

15 mei 2023


Bron:

Berkvens-Stevelinck, Christiane, Marc-Alain Ouaknin. De joodse gids van deze tijd, Vught 2015 (Skandalon)

Martin Heidegger. Unterwegs zur Sprache, Pfullingen 1959 (Verlag Günther Neske)


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.