Een vezel dunner dan een gedachte – nav Robert Juarroz…

De taal is ijl; ijl als de nevel vroeg in de ochtend. De taal is robuust; gemaakt van kurk. Ze kan tegen een stootje. Woorden brengen leven, woorden kunnen doden. Wat bepaalt hun kracht, wat hun uitwerking, welke intenties liggen achter de woorden, opdat ze werken zoals ze zijn bedoeld? De taal van de moordenaar is een andere taal dan de taal van de dichter die als een vroedvrouw ‘kinderen’ / gedachten / realiteiten / ervaringen ter wereld helpt te komen. Roberto Juarroz is een ‘vroedvrouw’ in de poëzie – hij vertaalt het licht, hij vertaalt het verlangen, hij vertaalt de kracht van de taal, in woorden die telkens weer nieuw langs de horizon strijken:


Traductor de la luz,

el ojo traduce también el pensamiento.


En el punto de encuentro

de las dos traducciones

se interrumpe un abismo

y se inaugura otro.


También los abismos se traducen entre sí,

como si fueran ojos todavía más abiertos.

Roberto Juarroz


Het oog, vertaler van het licht,

vertaalt ook de gedachte.


Op het ontmoetingspunt

van de twee vertalingen

wordt een afgrond onderbroken

en begint de volgende.


Ook afgronden vertalen elkaar,

alsof ze nog wijder geopende ogen waren.

Vertaling: Mariolein Sabarte Belacortu


De taal als bedreiging, dreiging is de taal van de propaganda, de taal van de oorlogshitser, de taal van de vermeende vijand, de taal van de populist, racist, de taal van de intolerante politicus en burger, de taal van de extremist. Hoe blijven we veilig tegen deze aanval, een zee van golvende verontwaardiging, van afschuw, haat en walging, die op onze kusten slaat? We kunnen ons niet wapenen, er zijn geen dijken of muren, geen gesloten oren, geen dichte ogen, er is geen onzichtbaar net, dat al deze aanvallen op onze menselijkheid tegenhoudt. De confrontatie, we komen er niet omheen. Net zomin als om de vage angsten, die soms voor ons opduiken en die we niet kunnen ontlopen. Door de angst heengaan, dan zal blijken dat hij een spook was, een spinsel, een verzinsel, niks concreets. Maar door de woorden heengaan, tegen de woorden opstaan, kaatsen zij dan terug, als op een spiegel, een gepolijste gouden muur, keren zij vruchteloos terug, naar de mond van de spreker? Gods woord keert niet vruchteloos terug, zo wordt gezegd. Maar een mensenwoord? Dat zal moeten blijken. Wij zijn met elkaar verbonden, door onzichtbare draden, Nietzsche wist ervan, het aller stevigst. Ook Juarroz heeft weet daarvan:


Een vezel dunner dan een gedachte,

een draad van het kaliber niets,

verbindt onze ogen wanneer wij niet naar elkaar kijken.


Wanneer wij naar elkaar kijken

worden wij verbonden door alle draden van de wereld,

alleen deze ene ontbreekt,

die slechts schaduw geeft

in het geheimste licht van de liefde.


Wanneer wij zijn heengegaan,

blijft die draad misschien over

als verbinding tussen onze lege plaatsen.

Roberto Juarroz


De taal van het verleden, uit het verleden: zo leven wij ook in de herinnering aan elkaar, in de woorden die we spraken en daden die we deden. Maar zelfs buiten dat, zelfs al waren wij ‘doden’, eens geleefd en nu uitgedoofd, vergaan in de grond, voorgoed verdwenen, is er toch nog een ander getuigenis, zijn we door de taal aan elkaar geklonken. De spaarzame tekst die wij achterlieten, de handgeschreven kaart uit een ver oord, de korte groet, de wens om beterschap, het sinterklaasgedicht in een oud boek, de kindertekening aan de muur, de roman die we nooit voltooiden. En soms, soms klinken woorden door, een glimlach of een traan, en herinneren wij ons hoe het was, wat er gebeurde, hoe iemand keek en sprak die ons dierbaar is. Dat was gisteren, met uitlopers als van bramen in het heden. Maar brengen ze ons ook terug naar wie we nu zijn? Of is het enkel melancholie, een vlaag van triestheid om wat verloren ging en niet meer terug kan keren? Waar zijn we nu, waar drijven we nu op onze ego-plank in de oceaan van de taal, hobbelend van gisteren naar morgen, wanneer zijn we echt ontwaakt? Worden we ooit wel wakker, of zijn we altijd wakker maar hebben we het niet in de gaten? Wat is dat waken, wat is dat slapen? Juarroz stelt in zijn gedichten vragen:


Wij zijn wakker, maar waar?

Ook de rook is wakker,

ook de droom is wakker,

ook de dood heeft

de oogleden hoog opgetrokken,

ook de dingen

geuren naar gedachte.


De bladzijden van het boek waarin wij geschreven staan

worden door niemand omgeslagen

en zij lezen elkaar.

En het andere boek,

dat wij schrijven met een droge pen,

eindigt bij de titel,

slaapt in waar het begint.

Vagelijk met elkaar geconfronteerd

worden beide boeken uitgewist zonder dat iets ontwaakt.

Waar zijn wij wakker?

Roberto Juarroz


De taal van het heden, het hier en nu: waar zijn we wakker? Wat is wakker, wat is niet-wakker? Als alles nu eens met alles verbonden is en dat in eeuwigheid. Misschien is de tijd de grote verbinder, de grote gelijkmaker, de grote garantie voor onze eenheid. In de tijd raakt alles en iedereen aan elkaar. Daarom spreekt een van de grondleggers van het Zen-Boeddhisme, Dōgen, over Zijn-Tijd, Uji. Hij schrijft:

“Sein-Zeit” bedeutet, dass Zeit Sein ist, d.h., ”Zeit ist Existenz, Existenz ist Zeit.” Die Gestalt einer Buddha-Statue ist Zeit. Zeit ist die leuchtende Natur eines jeden Augenblicks; es ist die jetzige tägliche Zeit in der Gegenwart. Auch wenn wir selbst nicht die Länge eines Tages berechnet haben, ist nicht daran zu zweifeln, dass ein Tag zwölf Stunden hat. Der Wechsel der Zeit ist klar, es besteht kein Grund, daran zu zweifeln; das bedeutet jedoch nicht, dass wir genau wissen, was Zeit ist. Allgemein gesagt, wenn jemand an etwas zweifelt, das er nicht ganz versteht, bleibt es solange ungewiss, bis es gelöst wird, bis dahin bestehen verschiedene Zweifel. Die Zweifel selbst sind durch die Zeit bedingt.

Alle Dinge existieren in uns selbst. Jedes Ding, jedes Wesen in dieser ganzen Welt ist Zeit. Kein Ding behindert oder bekämpft irgendein anderes, genauso wie die Zeit niemals irgendeine andere behindert. Wenn wir den Entschluss fassen, höchste Erleuchtung zu erreichen, fasst in diesem Augenblick die ganze Welt den gleichen Entschluss. Hier gibt es keinen Unterschied zwischen deinem Geist und der Zeit; durch deinen Entschluss, Erleuchtung zu erlangen, bist du einbezogen. Dies gilt auch für die Übung und das Erreichen des Weges. Die ganze Welt ist in uns enthalten. Das ist das Prinzip: “Wir selbst sind Zeit.”

Untersuche das Prinzip, dass alles in der Welt Zeit ist. Jeder Augenblick enthält die ganze Welt. Wenn wir das verstehen, ist das der Beginn der Übung und Erleuchtung. Wenn wir dieses Verständnis erreichen, erkennen wir die Wichtigkeit von jeglichem Tun; ein Grasblatt, jeder einfache Gegenstand, jedes lebende Ding ist untrennbar von der Zeit. Die Zeit enthält jedes Wesen und alle Welten.”

(uit:  Dôgen Zenji, Shôbôgenzô. Der Schatz des Wahren Dharma. Gesamtausgabe, Frankfurt 2008, (Angkor Verlag)

Ook Juarroz heeft een gevoel ontwikkeld voor het moment waarop de dingen plaatsvinden en waarin ze niet eenzaam staan – los van alle andere dingen. Verbonden met elkaar, met alles en iedereen, kan er echter toch een ervaren leegte zijn, de stilte van een moment, alsof de wereld stilstaat, alsof het bewustzijn dat voortdurend ‘wakker’ is even de controle kwijt raakt…drie gedichten tekenen de ruimte, tekenen de tijd:


Soms houden wij halt

midden op straat,

midden in een woord

of in een kus,

de ogen onbeweeglijk

als twee lange glazen eenzaam water,

het leven onbeweeglijk

en de handen stil tussen het ene gebaar en het gebaar dat zou

zijn gevolgd,

alsof ze al nergens meer waren.

Onze herinneringen zijn dan van iemand anders,

die wij ons amper meer herinneren.


Het is alsof wij het leven even uitleenden,

zonder de zekerheid het terug te krijgen

en zonder dat iemand ons erom heeft gevraagd,

maar in de wetenschap dat het wordt gebruikt

voor iets dat ons het allermeest aangaat.


Zou de dood niet ook een lening zijn,

midden op straat,

midden in een woord

of in een kus?


**

De hand van het verleden

tekent boven mij

de ruimte van de toekomst,

om zich erin te kunnen bewegen.


Mijn hand is overbodig,

tenzij hij boven mij een tekening maakt

van de ruimte van het verleden,

om zich erin te kunnen bewegen.


Bij het filteren van de ruimte van de mens,

houdt de tijd in zijn mazen

de coherentie van de ruimte vast,

en elke beweging is een bundel waanzin.


Niemand kent de plaats

die zijn hand tekent

om zich erin te kunnen bewegen.


Maar kennen is een andere filter

waarvan de mazen nog fijner zijn.

Als wij de plaats kenden

waar onze handen zich bewegen,

zouden wij zijn ruimte opheffen.


**

Er is geen tijd.

Er is geen tijd meer.

Maar is er ooit tijd geweest?


De illusie van het leven dat voor je ligt

voegt zich naar het woord

van het leven achter je.


En alle verloop is niet meer dan een punt,

misschien een rekbaar punt

of de achterkant van die punt,

omdat de tijd punctueel is.

Een punt die soms zachtjes wegglijdt,

als een druppel verbazing van het licht,

of een onverwacht schaduwlichaampje,

louter ter rechtvaardiging van iets dat lijkt

op een bijna vaste stand van de barometer

die de onmogelijke druk van het leven meet.


Of misschien eenvoudigweg

de diagonale druk van het onmogelijke.

Roberto Juarroz


De taal van de belofte, taal van het heil dat wordt aangekondigd. Taal die bruggen slaat en overwint, taal die loopplanken uitlegt over de afgronden die ons scheiden. Taal als een construct zoals in het circus acrobaten met elkaar verbonden, taal als handreiking en als omarming, taal als een kus en als een schouderklopje. Taal die verbindt en die niet vertwijfelt als een belofte niet uitkomt. Met de taal is alles mogelijk, Juarroz verkent in drie gedichten de kracht ervan:


Woorden zijn kleine hefbomen,

maar wij hebben hun steunpunt nog niet gevonden.


Wij laten ze op elkaar steunen

en het bouwwerk geeft mee.

Wij laten ze steunen op het gezicht van de gedachte

en zijn masker slokt ze op.

Wij laten ze steunen op de rivier van de liefde

en ze gaan ervandoor met de rivier.


En wij blijven hun som zoeken

op een enkele hefboom,

maar wij weten niet wat we willen optillen,

het leven of de dood,

de handeling van het spreken

of de gesloten cirkel van het mens-zijn.


**

Er zijn woorden die wij niet zeggen

en die wij zonder ze te zeggen op de dingen zetten.


En de dingen bewaren ze,

en op een dag antwoorden zij ons ermee

en redden zij de wereld voor ons,

als een geheime liefde

met twee uiteinden

waar maar een toegang is.


Zou er bij de woorden die wij niet zeggen

niet een woord zijn

dat wij per ongeluk

op het niets hebben gezet?


**

Elk woord roept een ander woord.

Elk woord is een verbale magneet,

een variabele aantrekkingskracht

die altijd nieuwe constellaties inwijdt.


Een woord is de hele taal,

maar het is ook de fundering

van alle overtredingen van de taal,

de basis ter bevestiging van een anti-taal.


Een woord is nog de mens.

Twee woorden zijn al de afgrond.

Een woord kan een deur openen.

Twee woorden wissen hem uit.

Roberto Juarroz


Taal als toekomst, taal als einde, taal als bezegeling. Een zegel opgedrukt, verzegelde woorden, gebeeldhouwde letters op het graf, de herinneringsstenen. De dood wacht op ons allen, de dood bezegelt ons spreken. De dood heft niet op, nee, de dood wacht geduldig totdat wij vervagen, oplossen in leegte, in het niets van de dodelijke omhelzing. Zo sterven onze woorden weg als een schip dat achter de horizon verdwijnt. Ook de echo blijft niet behouden, en dan is het stil. Juarroz ziet de dood:


Wij gaan dood vanaf het moment

dat wij een vermoeden hebben van het bestaan van de dood,

vanaf het moment dat zijn onbeschaamde vlaag ons raakt,

vanaf het moment dat wij voor het eerst aan hem denken.


De rest is details en krantenknipsels.

De scheiding tussen

die eerste gedachte aan de dood

en de laatste en de opheffing er van,

is een toevallig en heimelijk ritueel.


Leven is sterven.

De rest is gedramatiseerde uitvlucht.

Overigens

is het verschil tussen levenden en doden

altijd gering geweest.

Heel vaak

alleen een verschil in registers.


Is de afstand die er bestaat tussen twee namen

wellicht al voldoende

om naar iets anders over te gaan?

Roberto Juarroz


De taal is onze wereld, de taal is de bewoonbare wereld waarin wij rondwandelen. De taal is wereld, de wereld is taal. “Meine Welt, deine Welt, wo ist der Unterschied?” In de wereld en door de wereld zijn we voorgoed verbonden. Ook de dood maakt daar geen einde aan. De wereld is de brug waarmee wij elkaar tegemoet kunnen komen, “meine Welt, deine Welt” is er slechts één. Wat ons bindt is ons lichaam: daarmee zijn we wereld en worden we wereld voor elkaar. Juarroz heeft dat goed getroffen in dit gedicht:


Het gezicht van een mens valt op de grond.

Wie zou het kunnen oprapen

en met dit gezicht

de papieren valkuilen ontlopen?


De schreeuw van een mens valt op de grond.

Wie zou hem kunnen terughalen

en via zijn code

de verdwenen talen ontcijferen?


De hoop van een mens valt op de grond.

Wie zou een ander mens kunnen maken

en de hoop opnieuw

op zijn plaats zetten?


Een in zichzelf gekeerd mens valt op de grond.

Wie zou de wereld kunnen uitwissen

om die mens omhoog te helpen?


De wereld van de mens valt op de grond.

Wie zou kunnen blijven kijken

met lege blik?

Roberto Juarroz


Uit: Roberto Juarroz, Vertikale poëzie. Een keuze uit verticale poëzie I t/m XIII. Vertaald door Mariolein Sabarte Belacortu, Amsterdam 2002 (Wagner & Van Santen)


John Hacking

13 juni 2022

2 gedachten over “Een vezel dunner dan een gedachte – nav Robert Juarroz…

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.